Printer Friendly

War of Words. Dutch Pro-Boer Propaganda and the South African War (1899-1902).

War of Words. Dutch Pro-Boer Propaganda and the South African War (1899-1902). Vincent Kuitenbrouwer. Amsterdam: Amsterdam UP, 2012. 408 pp. ISBN: 978-9-089-6441-2.

Met zijn dissertatie War of Words. Dutch Pro-Boer Propaganda and the South African War (1899-1902) schaart Vincent Kuitenbrouwer zich in een lange reeks Nederlandse historici die zich hebben beziggehouden met de relaties tussen Nederland en Zuid-Afrika rond 1900. Voor wie vertrouwd is met de studies van P. J. van Winter (Onder Krugers Hollanders, 1937-38), G. J. Schutte (Nederland en de Afrikaners, 1986), M. Kuitenbrouwer (Nederland en de opkomst van het moderne imperialisme, 1985), A. J. van Koppen (De geuzen van de negentiende eeuw, 1992), H. te Velde (Gemeenschapszin en plichtsbesef, 1992), B. J. H. de Graaff (De mythe van de stamverwantschap, 1993) en M. Bossenbroek (Holland op zijn breedst, 1996) bevat Vincent Kuitenbrouwers boek dan ook weinig verrassends.

Wat Kuitenbrouwers studie niettemin interessant maakt, is zijn vertrekpunt. Kuitenbrouwer bouwt voort op een lange en vruchtbare traditie van samenwerking en uitwisseling tussen Nederlandse en Britse historici. Door de manifestaties van "Boerenliefde" in Nederland te vergelijken met het Britse cultureel imperialisme laat hij zien dat de Nederlandse steun aan het "stamverwante" volk in Zuid-Afrika beslist niet belangeloos was. Kuitenbrouwers keuze om zijn proefschrift in het Engels te publiceren, terwijl het grootste deel van zijn onderzoeksmateriaal uit Nederlandse bronnen bestaat, moet dus niet gezien worden als een knieval voor het Engels als voertaal in de internationale wetenschap. Via het Engels verliest het verhaal over de Nederlandse betrokkenheid bij Zuid-Afrika rond 1900, dat bij historici in Nederland en Zuid-Afrika inmiddels min of meer bekend verondersteld mag worden, zijn specifiek Nederlandse karakter en kan het opgenomen worden in het bredere, internationale vertoog over het imperialisme.

Een belangrijk verschil tussen het Nederlandse en Britse imperialisme vormden de kracht en omvang van de instituties. Dit verschil was bijvoorbeeld zichtbaar in de manier waarop de media georganiseerd waren. Aan Britse kant verspreidde het nieuws zich snel, onder meer dankzij een stelsel van intercontinentale telegraaflijnen en de aanwezigheid van een grote groep schrijvers en journalisten, onder wie Arthur Conan Doyle en Rudyard Kipling. Nederland had geen telegraafverbinding met Zuid-Afrika en Groot-Brittannie slaagde er zelfs in te verhinderen dat berichten over de ontwikkelingen in Zuid-Afrika Nederland via Nederlands-Indie konden bereiken. Het media-offensief van de Nederlandse pro-Boerorganisaties had dan ook wel iets weg van een guerrilla-oorlog, net als de strijd van de Boeren tegen het Britse leger.

De kern van Kuitenbrouwers proefschrift bestaat uit drie delen. In deel 1, "Principles of Propaganda (1880-1899)", inventariseert hij wie er in de jaren voor de oorlog verantwoordelijk waren voor de beeldvorming van ZuidAfrika, en specifiek van de Afrikaners, in Nederland, en hoe dit beeld eruitzag. Deze beeldvorming, zo laat Kuitenbrouwer zien, was voor een deel in handen van mensen die het land uit eigen ervaring kenden, zoals diplomaat Hendrik Muller en uitgever A. J. Wormser, maar voor een deel ook van mensen als de filosoof C. B. Spruyt (toen secretaris van de Nederlands Zuid-Afrikaanse Vereniging, de NZAV) en schrijver Louwrens Penning, die er nog nooit geweest waren, maar die toch een belangrijk stempel drukten op het populaire beeld over Zuid-Afrika in Nederland. De Nederlandse publicaties moesten een tegenwicht bieden tegen de negatieve Britse propaganda, die sterk werd gestuurd door fanatieke imperialisten als Cecil John Rhodes, Alfred Milner en Joseph Chamberlain. Daarom werden eventuele fouten van de Boeren in de Nederlandse pro-Boer-geschriften met de mantel der liefde bedekt.

Het spannendste deel van Kuitenbrouwers proefschrift is natuurlijk deel 2, "War of Words (1899-1902)", waarin de communicatielijnen tussen de Boeren en hun ondersteuners in Europa tijdens de oorlog worden nagespeurd. De communicatie werd gehinderd door de neutrale opstelling van de Nederlandse regering, door de, zeker vergeleken met de Britse propagandamachine, beperkte financiele middelen van de Nederlandse pro-Boerbeweging en door de toenemende censuur in Zuid-Afrika zelf. Veel informatie was afkomstig van onderwijzers, spoorwegmensen en andere Nederlanders die voor de oorlog in de Boerenrepublieken hadden gewoond en die na de Britse machtsovername berooid waren teruggekeerd naar Europa. Ook werd gebruik gemaakt van privecorrespondentie en van gecodeerde en gesmokkelde berichten. Belangrijke rollen waren weggelegd voor het Brusselse gezantschap van W. J. Leyds, voormalig staatssecretaris van de Z. A. R. en tijdens de oorlog gevolmachtigd minister van de Z. A. R. in Europa, en voor het Perskantoor van het Algemeen Nederlands Verbond in Dordrecht, dat werd gerund door Frederik Rompel. Thema's die regelmatig aan de orde kwamen, waren onder meer de rechtmatigheid van de Boerenzaak, het beeld van de onverschrokken Boerenstrijder en de wreedheid van de Engelsen, met name het platbranden van boerderijen en de erbarmelijke omstandigheden in de concentratiekampen. Opnieuw werden mogelijke negatieve kanten van de Afrikaners verdoezeld. Ook werd het verloop van de oorlog soms uit tactische overwegingen in een wat al te rooskleurig licht gesteld. Opmerkelijk is, dat de Nederlandse pers in bepaalde gevallen bereid was om zelfcensuur toe te passen als dit in het belang van de Boeren was.

Na de Vrede van Vereeniging (1902) was de ontgoocheling bij het Nederlandse publiek, dat steeds onder de indruk was gelaten dat de Boeren uiteindelijk zouden zegevieren, groot. Zoals Kuitenbrouwer in deel 3, "The Aftermath of Pro-Boer Propaganda (post-1902)", schrijft, was het voor iemand als Leyds echter vanaf het begin duidelijk dat de zaak niet hopeloos was. De Afrikaners hadden de oorlog verloren, maar er viel nog een vrede te winnen! Van de tegoeden van de Z. A. R. die Leyds tijdens de oorlog uit handen van de Engelsen had weten te houden, was er nog zo'n 2 miljoen gulden over. Dit geld werd onder meer gebruikt voor de opbouw van de Hollands-Afrikaanse pers en het christelijk-nationaal onderwijs in Zuid-Afrika. En terwijl Leyds zich hard maakte voor de vestiging van een historiografische traditie vanuit Afrikaner-nationalistisch perspectief, beijverde Nicolaas Mansvelt, de voormalige Superintendent van Onderwijs die na de val van Pretoria naar Nederland was teruggestuurd en die ook na de oorlog persona non grata zou blijven bij de Britse machthebbers, zich voor de Vereenvoudigde Spelling en bezorgde hij een bundel met Afrikaanse liederen als alternatief voor de populaire deuntjes uit de Engelse music hall. Fascinerend is Kuitenbrouwers relaas over het "Zuid-Afrikaansch Museum" in Dordrecht, waar onder meer allerlei voorwerpen uit Paul Krugers huis in Hilversum werden bewaard, voor ze in 1920 uiteindelijk hun bestemming vonden in het Kruger Huis in Pretoria. Al deze activiteiten waren erop gericht, de culturele identiteit van de Afrikaners als verbeelde gemeenschap te verstevigen.

Hoewel de hoofdlijnen van Kuitenbrouwers verhaal, zoals gezegd, op grond van eerdere publicaties bekend verondersteld mogen worden, bevat het boek heel wat boeiende en soms ronduit spannende details. Veel aspecten die genoemd worden, verdienen het om in afzonderlijke artikelen nader uitgewerkt te worden. Ook de representatie van de Afrikaners en van de oorlog, zoals die uit de Nederlandse propaganda naar voren komt, doet

bekend aan. Het gaat hier echter niet om een kritiekloos overnemen van de Afrikaner-nationalistische mythe. Kuitenbrouwer laat zien door wie, op grond van welke bronnen en vanuit welke overwegingen dit beeld werd geconstrueerd. Het waren Nederlanders die dit beeld tijdens de oorlog in Europa verspreidden en die het na de oorlog ook naar Zuid-Afrika exporteerden. Hoe effectief hun inspanningen zijn geweest, valt volgens Kuitenbrouwer moeilijk vast te stellen. Maar doordat de Nederlandse Boerenvrienden-organisaties in deze studie tegen de achtergrond van het internationale imperialisme komen te staan, wordt aannemelijk gemaakt dat deze niet zomaar vanuit "mass hysteria" opereerden, maar als "an exponent of a complex discourse on Dutch identity in the global context" (146).

DOI: http://dx.doi.org/10.4314/tvl.v50i1.28

Ingrid Glorie

ingridglorie@kpnmail.nl

Navorsingsgenoot Universiteit van

die Vrystaat

Bloemfontein
COPYRIGHT 2013 Tydskrif vir Letterkunde
No portion of this article can be reproduced without the express written permission from the copyright holder.
Copyright 2013 Gale, Cengage Learning. All rights reserved.

Article Details
Printer friendly Cite/link Email Feedback
Author:Glorie, Ingrid
Publication:Tydskrif vir Letterkunde
Article Type:Book review
Date:Aug 30, 2013
Words:1257
Previous Article:'n Klein lewe.
Next Article:Boereoorlogstories 2. 32 verhale oor die oorlog van 1899-1902.
Topics:

Terms of use | Privacy policy | Copyright © 2020 Farlex, Inc. | Feedback | For webmasters