Printer Friendly

Sterke vrouwen! De institutionele positie van de eerste Afrikaanse schrijfsters (1).

Opsomming

Sterke vrouwen! De Institutionele positie van de eerste Afrikaanse schrijfsters

Begin jaren negentig lijkt in de Afrikaanse letterkunde het idee te zijn ontstaan dat de eerste Afrikaanse romanschrijfsters ten prooi zijn gevallen aan marginalisering door mannelijke critici, omdat de inhoud van hun boeken in strijd zou zijn met het heersende Afrikaner-nationalistische discours. Studies op het gebied van de sociale geschiedenis hebben sedertdien echter aangetoond dat de institutionele positie van Afrikaanse vrouwen in de eerste helft van de twintigste eeuw sterker was dan vaak is aangenomen. In dit artikel wordt een beeld geschetst van de levens van de eerste Afrikaanse schrijfsters, met speciale aandacht voor hun betrokkenheid bij de Afrikaanse vrouwen-organisaties. Het korte verhaal "Prente" van Mabel Jansen wordt gebruikt ter illustratie van de wisselwerking tussen het werk van enkele schrijfsters en het beleid van de vrouwen-organisaties ten aanzien van de maatschappelijke vraagstukken van hun tijd. In de slotparagraaf wordt een poging gedaan om de marginalisering van het werk van deze schrijfsters in verband te brengen met vergelijkbare ontwikkefingen elders in de wereld, met speciale verwilzing naar de interferentie tussen het Nederlandse en het Afrikaanse literaire systeem.

Abstract

Strong women! The Institutional position of the first women writers In Afrikaans

In the early 1990s several Afrikaans literary scholars suggested that the work of the first Afrikaans women writers had been marginalised, because it supposedly went against the hegemonic Afrikaner-nationalist discourse. Since then research in the field of social history has indicated that during the first half of the 20th century, Afrikaner women were not as powerless as has often been assumed. In this article, the biographical details of women writers from 1902-1930 are provided, with special reference to their involvement in Afrikaans women's organisations. The short story "Prente" ("Pictures") by Mabel Jansen is used to illustrate the interrelatedness of literature and social work within the framework of this type of organisations. In the concluding paragraph an attempt is made to explain the marginalisation of these women writers' work from an international perspective, with special reference to the interference between the Dutch and the Afrikaans literary systems.

1. Vrouwelijke auteurs en hun plaats in de Afrikaanse literatuurgeschiedenis

Begin jaren negentig lijkt in de Afrikaanse letterkunde het idee te hebben postgevat dat vrouwelijke auteurs ten prooi zijn gevallen aan marginalisering door mannelijke letterkundigen. Een invloedrijke bijdrage, in dit verband, was een artikel van Henriette Roos in Tydskrif vir Letterkunde (1992). In dit artikel focust Roos op de drie prijswinnaars van een door uitgeverij Van Schaik uitgeschreven romanwedstrijd: Onder bevoorregte mense van Marie Linde, Oogklappe van Meg Ross en Eensaamheid van Eva Walter. Met dit drievoudige debuut (1925) voegden de eerste vrouwelijke auteurs zich in de nog prille traditie van de psychologisch-realistische of probleemroman. Dit genre had in 1922 met J.R.L. van Bruggens Japie een eerste hoogtepunt bereikt. In de jaren dertig en veertig zou het genre in toenemende mate gedomineerd gaan worden door vrouwelijke auteurs. Tegelijkertijd zou het echter ook van het literaire domein afglijden naar het domein van de ontspanningslectuur. J.C. Kannemeyer (1978:339) klaagt in zijn literatuurgeschiedenis over "die eenselwigheid en beperktheid van temas, die power taal en styl van die skrywers en die verbeeldingloosheid en eensydigheid" van de realistische romans uit de jaren dertig, "terwyl die lewe in sy verwikkeldheid gerieflik vermy word". Hij constateert ook een toenemende commercialisering, met "'n sekere resepmatigheid en geyktheid" tot gevolg. In de jaren veertig zal deze tendens zich volgens hem voortzetten, "met 'n geweldige toename in die produksie van die oppervlakkige liefdesverhaal wat bloot as ontspanningslektuur geskryf word".

Henriette Roos merkt op dat, hoewel de romans van Marie Linde, Meg Ross en Eva Walter aanvankelijk positief werden ontvangen, het oordeel van de critici--en met name de literatuurgeschiedschrijvers--met verloop van tijd steeds negatiever werd. Een vluchtige verkenning van de drie romans suggereert volgens Roos dat de stedelijke omgeving waarin deze gesitueerd zijn, de bourgeois benadering van bepaalde maatschappelijke kwesties, het eurocentrische perspectief en de achterliggende ideologische visie niet strookten met het verwachtingspatroon van de dominante critici. Roos (1992:51) vraagt zich af:
 Het die kritici wat sedert die veertigerjare die norme daargestel
 en die geskiedenis neergeskryf het dalk nie vrede gehad met
 hierdie romans wat glad nie ingepas het in 'n geidealiseerde
 Volk en Vaderlandvisie nie; met werke wat geensins as
 didakties/moraliserend, of selfs as romanties-realisties beskryf
 kon word nie? Met werke wat hie die mite van die Boer en sy
 liefhebbende, hardwerkende vrou onderskryf het nie?


Philip John neemt de suggestie van Roos over en onderzoekt de juistheid hiervan met betrekking tot Onder bevoorregte mense van Marie Linde. Zijn conclusie (John, 1994:20-21):
 Die 'ontluisterde toon' van Onder bevoorregte mense sou dan--ten
 opsigte van die kunsbegrip--dui op die oorstyging van die
 horison van die toonaangewende literere kritici van die roman.
 Vir Afrikaanse kritici sou Onder bevoorregte mense ideologies
 onverteerbaar gewees het omdat dit ontgogelend krities
 ingestel was ten opsigte van die heersende estetiese ideaal.


In meer algemene termen of met betrekking tot andere fasen uit de Afrikaanse literatuurgeschiedenis constateren ook Amanda Lourens (1997), Annemarie van Niekerk (1990; 1999a; 1999b) en Jerzy Koch (2002) dat de canon van de Afrikaanstalige literatuur het product is van een door mannelijke critici gedomineerd selectieproces. Voegt hierbij--als gevolg van het hanteren van (niet zelden door politieke of ideologische overwegingen ingegeven) typisch mannelijke beoordelingscriteria in combinatie met trivialiserings-- en marginaliseringsstrategieen--dat het werk van vrouwelijke auteurs geheel uit de canon is verdwenen of niet de waardering heeft gekregen die het volgens andere criteria zou verdienen. Daarentegen zou her oordeel van vrouwelijke critici en het vrouwelijke lezerspubliek de constructie van deze canon nauwelijks hebben kunnen beinvloeden.

2. Vrouwelijke auteurs en hun maatschappelijke rol

Sinds het verschijnen van Roos' artikel is er alweer ruim een dekade verstreken. Inmiddels hebben we, vooral dankzij onderzoek op andere wetenschappelijke terreinen dan de letterkunde, een beter inzicht gekregen in de complexe relatie van vrouwen, zoals de door Henriette Roos genoemde schrijfsters ten opzichte van het mannelijke machtscentrum van hun tijd. Ze waren meer dan alleen, zoals Elsabe Brink het in haar gelijknamige artikel uit 1990 noemde, "man-made women" die het door mannen geconstrueerde Volksmoeder-discours geinternaliseerd hadden (Brink, 1990:290). "The male constructed images of the Afrikaner woman", schrijft Elsie Cloete (1992:51) daarentegen,
 ... emphasized her role as servant to the volk, as nurturer,
 keeper of moral standards, educator and promoter of the
 language. It served a specific political purpose and the
 Afrikaner woman's collaborative role in bringing this about,
 albeit not always from the public platform, should not be
 underestimated.


Lou-Marie Kruger (1991:1-2) benadrukt in haar M.A.-verhandeling over het vrouwentijdschrift Die Boerevrou: "... they, too, were active agents in the mobilisation of the volk". Marijke du Toit (1996:6) toont ook in haar proefschrift over de Afrikaner Christelike Vroue Vereniging (ACVV) aan
 ... that Afrikaner women were neither absent from, nor silent
 partners of a male political movement. In fact, several decades
 ago some of the women active in welfare and party-political
 work themselves claimed a pivotal role in the nationalist
 struggle.


Overigens hebben letterkundigen zoals Lourens (1997), Van Niekerk (1999a) en Koch (2002) ook oog gehad voor de institutionele inbedding van het werk van zekere schrijfsters. Maar toch gaat hun aandacht, net als die van Henriette Roos en Philip John, vooral uit naar het ondermijnende karakter van het werk van vrouwelijke auteurs ten opzichte van een dominant mannelijk discours. Deze misschien ietwat politiek-correcte, soms expliciet feministisch-ideologisch geladen voorstelling laat onvoldoende ruimte om te onderzoeken in welke mate het werk van vrouwelijke auteurs niet alleen bepaald werd door, maar zelf ook mede vormgaf aan het heersende discours (dat dus ook niet als uitsluitend "mannelijk" gekarakteriseerd kan worden).

3. Schrijfsterslevens

In haar M.A.-verhandeling over Die Boerevrou merkt Lou-Marie Kruger (1991:2) terecht op dat
 [if] we are to move from the level of the Afrikaans women as
 powerful symbol in the mythology of Afrikaner nationalism and
 recover the roles and contributions of Afrikaans women as
 historical agents then it will have to be firmly anchored in the
 concrete and personal particulars of their actual lives.


Het loont dan ook de moeite om eens te kijken naar de levensbijzonderheden van vrouwelijke auteurs uit de eerste drie decennia van de twintigste eeuw. Omdat er maar weinig bronnen-materiaal voorhanden is, is ervoor gekozen om dit onderzoek uit te breiden naar alle Afrikaanse schrijfsters die tussen 1902 en 1930 actief waren, voor zover hun namen via de Bibliografie van P.J. Nienaber te achterhalen vielen. (2) Met uitzondering van M.E.R. zijn vrijwel al deze schrijfsters, binnen welk genre ze ook actief waren, net als de door Roos gememoreerde romancieres in vergetelheid geraakt. Dit suggereert dat een controversiele inhoud dus niet de enige factor is die verantwoordelijk gehouden kan worden voor het feit dat veel vrouwelijke auteurs buiten de canon zijn beland.

Onderzoek (3) wijst uit dat alle schrijfsters die tussen 1902 en 1930 debuteerden, geboren zijn in de laatste drie decennia van de negentiende eeuw: de oudste, Tannie van Die Brandwag, in 1873 en de jongste, Anna de Villiers, in 1900. Met uitzondering van M.E.R. kwamen de meesten uit redelijk welvarende gezinnen; hun vader was advocaat, magistraat, predikant, onderwijzer, landmeter of boer. Velen ervaarden de Anglo-Boerenoorlog als een ingrijpende gebeurtenis. Chris Euvrard, Hettie Cillie, Eva Walter en A.E. Carinus-Holtzhausen en mogelijk ook andere van de hier genoemde schrijfsters hebben een deel van de oorlog in Britse concentratie-kampen doorgebracht. Na de oorlog gingen veel meisjes uit de voormalige Boerenrepublieken naar die Boland om opgeleid te worden tot onderwijzeres. De meeste van deze scholen werden geleid door Amerikaanse leraressen. Hoewel sommige meisjes--zoals M.E.R. in haar autobiografie memoreert--zich diep gekrenkt voelden door de neerbuigende houding die de Amerikaanse onderwijzeressen aannamen ten opzichte van hun taal (zowel het Nederlands als het Afrikaans), was het onderwijs er in andere opzichten wel erg goed, en zelfs beter dan het onderwijs dat jongens van hun leeftijd op de gewone dorpsscholen kregen.

M.E.R. behoorde tot de eerste vrouwelijke studenten aan het South African College (later de Universiteit van Kaapstad) en Eva Walter, die als kind van Nederlandse migranten een deel van de Anglo-Boerenoorlog in Nederland doorgebracht had en daar priveonderwijs had genoten, werd in 1906 de eerste voltijdse dames-student aan het Grey Kollege in Bloemfontein. Van Petronella van Heerden is bekend dat ze in hongerstaking moest gaan om van haar ouders toestemming te krijgen om te leren. Van Heerden, Anna de Villiers en Lydia van Niekerk brachten een deel van hun studietijd in Nederland door.

War de burgerlijke staat en de vraag "wel of geen kinderen" betreft, is het beeld zo divers, dat er weinig over te zeggen valt. Susanna Bruwer, de schrijfster van Bodemvas, publiceerde in november 1929 --dat wil zeggen nog geen maand nadat Virginia Woolf in Engeland haar A room of one's own had gepubliceerd--in Die Nuwe Brandwag een korte schets getiteld "As 'n vrou wil skryf. 'n Skets uit die getroude lewe", waarin zij op ironische wijze beschrijft water gebeurt als een plichtsgetrouwe echtgenote en moeder's ochtends vroeg de inspiratie in zich voelt opbruisen om te schrijven en de hele wereld met een pennenstreek te veranderen. Opeens staat dan de bediende voor haar, die een boodschappenlijstje voor de slager wil hebben. In plaats van kunst staat er plotseling: "2 pond skaapribbetjie. 3d. hondevleis. Dit moet wees vleis vir die hond maar die slagter sal verstaan--so hoop ek" (Bruwer, 1929:236)

Veel schrijfsters waren in hun jonge jaren of zelfs tot hun pensioen werkzaam als onderwijzeres; een aantal van hen schreef ook school- en kinderboeken en sommigen waren daarnaast op bestuurlijk terrein in de onderwijswereld actief. Een tweede bron van inkomsten was vertaalwerk, een derde de journalistiek. Terwijl M.E.R. en Eva Walter--beiden ongetrouwd--van het schrijven moesten leven, kregen andere vrouwen er niet of nauwelijks voor betaald. Die Boerevrou werd bijvoorbeeld grotendeels gefinancierd door Mabel Malherbe's echtgenoot. Onthullend is in dit verband een brief van Izak van Heerden alias "Vaalswaer", de man van Tannie van Die Brandwag, aan zijn mede-taalstrijder Gustav Preller. "Daar was 'n tyd," schrijft hij,
 wat Tannie die werk waarvoor julle later drie dames kontributante
 ge-employeer 't alleen gedoen 't [...]. Maar toe was sy
 nog sterk en het dit haar nie biesonder lastig geval nie.

 Ofskoon sy moes in ieder geval haar werk snags af doen. Die
 huishouding en ander dinge het haar gewoonlik oordags besig
 gehou en so moes sy in die reel saands, wanner ik gaan slaap,
 gaan sit en werk tot een, twee uur in die more--winter en
 somer--en partykeer tot selfs later toe. Sy het 'n massa van die
 korrenspondensie- [sic] en ander bykomstige werksaamhede vir
 Die Brandwag gedoen waarvoor sy in geen geval betaal werd
 nie maar wat sy gemeen 't wat in belang van die saak is en wat
 dit haar begeerte was om te doen. [...]

 Tel by haar huiswerk die werk van Die Brandwag die vertale en
 skrywe van 'n boel ander kinder- en skoolboekies en wat dies
 meer sy en dit hoef niemand te verwonder dat haar gesondheid
 --wat maar altyd swak was--daar onder gaan ly 't (TAB,
 A787/112, p. 801-803).


Het lijkt de schrijfsters weinig moeite te hebben gekost om door te dringen tot de literatuur. De Afrikaanse literatuur was immers een jonge literatuur en iedere vrouwelijke stem was er een. Bijzonder illustratief is in dit verband een brief van Gustav Preller aan Hettie Cillie van 9 september 1908. Hij bedankt haar voor een verhaal dat binnenkort in De Volkstem zal verschijnen.

Die naam-kwessie het ik doorgehak door u 'Hilda Villiers' te noem! Ik hoop u sal daar niks op tegen he nie. Ons moet 'n naam he, siet u, want ik wil vooral laat uitkom:

1. dat skrijfster Afrikaans is

2. dat skrijwer 'n dame is

en ik weet g'n ander raad nie. Als 'Hilda Villiers' eendag 'n beroemde skrijfster geword het, salons seker wel die reg krij om te se dat 't mej. Cillie is. Dat sij alle kans het om beroemd te word, betwijfel ik nie (NALN, RGN-verzameling, Ms 2/134).

Dat vrouwelijke auteurs in het algemeen als een noodzakelijke aanwinst voor de jonge Afrikaanse literatuur werden beschouwd (zowel met het oog op de verscheidenheid van thema's en genres alsook voor het aanboren van een nieuw lezerspubliek: vrouwen en kinderen), blijkt eveneens uit de recensies waarin de veelal mannelijke critici hun eerste romans en verhalenbundels onder de loep nemen. Niet zelden is er kritiek, met name op het gebruik van anglicismen en het gemis aan psychologische diepgang. Maar aan het einde van zo'n ogenschijnlijk vernietigende recensie staat er bijna zonder uitzondering dat deze eersteling niettemin getuigt van aanleg en een belofte inhoudt voor de toekomst, niet alleen voor de schrijfster, maar ook voor de Afrikaanse literatuur als geheel. "Dis totaal onmoontlik," klinkt het bijvoorbeeld aan het slot van een vernietigende recensie van Susanna Bruwers roman Bodemvas in Die Unie. "Maar by dit alles is 'Bodemvas' 'n boeiende, interessante boek wat allessins die moeite werd is om te lees. Ons verwag van die skryfster nog baie van dieselfde soort" (Anon., 1929:55-56). Welke redenen schrijfsters hadden om voor de anonimiteit te kiezen, door een pseudoniem te gebruiken (zoals bijvoorbeeld Marie Linde, Meg Ross en Eva Walter), of zich (zoals M.E.R.) te verstoppen achter initialen, wordt niet duidelijk. Van Tannie van Die Brandwag krijg je de indruk dat ze gewoon niet van al die aandacht hield. Ze had haar man een keer een standje gegeven omdat hij haar naam in Die Brandwag had laten vallen, en (schrijft hij aan Preller), "mij verklaar dat sij niks van dergelike goedkope adverteerderij hou nie". Een brief van Sannie Bruwer aan haar man A.J. Bruwer, die, naast zijn werk als voorzitter van de Raad van Handel en Nywerheid, zelf ook als schrijver actief was, is een van de weinige aanwijzingen dat vrouwen die wilden schrijven soms ook negatief bejegend werden. "Steyn vertel my iets wat my so seer gemaak het dat ek 'n mens nooit kan se nie" schrijft ze op 11 maart 1929,
 Anna Johan se vir Steyn sy hoor dat ek 'n boek geskryf her
 maar dat daar seker nie notiesie van geneem sal word nie
 omdat almal sal tog weet dat jy my gehelp her. Ek het toe vir my
 ma geskryf en gese dat jy nog nie eers my boek gelees het nie
 dat ek dit hie wou he nie voordat my boek nie gedruk verskyn
 nie. Ja dit lyk my werklik of ek teen daardie ding nog sal moet
 veg. Ek het ook gese dat sy hoef nie te dink dat ek iets onder
 my naam sal uitgee wat nie werklik myne is nie. [...] Wat moet
 ek doen lief? Stel jou voor dat 'n mens tog altyd met sulke dinge
 ook te kamp moet. Die rede--ek is dan te ongeletterd (NALN,
 Ms 734/77/107).


Tot slot van dit overzicht het optreden van vrouwelijke auteurs in georganiseerd verband. Hoewel het gevaarlijk is om--zoals mannelijke letterkundigen soms schijnen te doen--alle schrijfsters uit een bepaalde periode te reduceren tot een homogene en dus makkelijk verwaarloosbare categorie, lijkt het toch gerechtvaardigd om te stellen dat veel van deze schrijfsters en hun lezeressen lid waren van de verschillende vrouwenverenigingen, zoals de ACVV en de Suid-Afrikaanse Vrouwe Federasie (SAVF), die na de Anglo-Boerenoorlog werden opgericht om de armoede onder de Afrikaners te verzachten. Deze verenigingen stelden vrouwen in staat om maatschappelijk actief te zijn. De werkzaamheden moeten vooral gezien worden als een uitbreiding van de traditionele zorgtaken. Net als in de beperkte kring van het huisgezin draaide het ook hier om het verbreiden van taal, cultuur en godsdienst, om opvoeding en onderwijs en steun aan armblanke volksgenoten. De strijd voor vrouwenkiesrecht lijkt niet voor iedereen even belangrijk te zijn geweest. In haar autobiografie My beskeie deel schrijft M.E.R. (Rothman, 1976:226) hierover:
 Afrikanervroue het van die hele ding opsy gestaan. Dit was nie
 omdat hulle teen die stemreg was nie, maar om ander redes--veral
 om 'n rede wat ons reeds meer as 150 jaar beinvloed het,
 naamlik dat die beweging Engels van oorsprong en instelling
 was. Verder kon ons nie eintlik sien dat dit van dringende
 belang was nie; ons was besig met ons taalstryd, onse stryd
 teen verarming en agteruitgang, met ons hele stryd van
 rehabilitasie; vrouestemreg het ons nie voorgekom as 'n
 belangrike faktor in hierdie stryd nie. (4)


Hoewel hoofdredactrice Mabel Malherbe zelf voorvechtster van vrouwenkiesrecht was, werd het onderwerp in de pagina's van Die Boerevrou zorgvuldig vermeden, omdat het verdeeldheid onder de lezeressen zou kunnen zaaien. Interessant is dat het in verschillende romans van vrouwelijke auteurs uit de jaren '20 wel aan de orde kwam, zoals in Eensaamheid van Eva Walter, Bodemvas van Susanna Bruwer en Sterker as die noodlot van Anna de Villiers.

4. Mabel Jansen, "Prente" (1919)

Mabel Jansen (1889-1979) was een van de bekendste Afrikaner vrouwen van haar tijd. Zij maakte volop deel uit van het establishment en leverde een actieve bijdrage aan de constructie van het Afrikaner-nationalistische discours. Deze, voor die jaren, politiek-correcte opstelling kon niet verhoeden dat zij als schrijfster evenzeer vergeten raakte als Marie Linde, Meg Ross, Eva Walter en bijna alle andere schrijfsters uit de ontstaansperiode van de Afrikaanse literatuur. Door het verhaal "Prente" uit haar verhalenbundel Die veldblommetjie ... (1919) in verband te brengen met Mabel Jansens institutionele positie, wil ik illustreren op welke manier teksten van de eerste Afrikaanse schrijfsters soms aansloten bij het beleid van de Afrikaanse vrouwenorganisaties en, via deze organisaties, pasten binnen het hele Afrikaner-nationalistische project van de eerste dekaden na de Anglo-Boerenoorlog. (5)

Mabel Jansen debuteerde in 1918 met het historische melodrama Afrikaner harte. In 1919 verscheen de bundel sociaal-realistische verhalen Die veldblommetjie en in hetzelfde genre volgden in 1940 nog Sommerso en Erfenis. Onder het pseudoniem Martha (of Marta) publiceerde ze in 1923 het kindertoneelstuk Die onnut en in 1942 Vrugte-heerlikheid: meet as duisend maniere om Suid-Afrikaanse vrugte veer te berei ... (Nienaber, 1943:227-228). Afrikaner harte en Die veldblommetjie zijn literair-historisch niet zonder betekenis, omdat beide vroege specimen zijn van respectievelijk het historische melodrama en het sociaal-realistische proza in de Afrikaanse literatuur. Maar de bekendheid die zij tijdens haar leven genoot, dankte Jansen toch vooral aan haar vele activiteiten buiten het domein van de literatuur.

Mabel Jansen (6)--op 1 november 1889 als Martha Mabel Pellissier in Bethulie geboren, opgeleid als onderwijzeres en in 1912 getrouwd met advocaat Ernst George Jansen uit Pietermaritzburg--was namelijk mede-oprichtster van De Saamwerkunie van Natalse Vereniginge en van de Federasie van Afrikaanse Kultuurverenigings, initiatiefneemster van de Afrikaanse Taalbondexamens, secretaresse van de Natalse Christelijke Vrouevereniging, redactrice van de vrouwenrubriek in Die Landbouweekblad, vice-voorzitster van de Voortrekkerbeweging en lid van het Sentrale Volksmonumentekomitee, het Vrouemonumentkomitee, het Unievlagkomitee, het Kruger-komitee, het Argiefkomitee en de Handhawersbond. En ze was ook polities actief. Ze steunde de politieke loopbaan van haar man als parlementslid, parlementsvoorzitter en tot twee keer toe minister van Naturellesake. In 1923 richtte ze de Natalse Vroue Nasionale Party op, een podium dat haar de ruimte bood om te ijveren voor vrouwenkiesrecht. Ze was aanvankelijk vice-voorzitster van de Nasionale Party in Natal, maar stapte--na de breuk tussen Hertzog en Malan die ook een crisis in het huwelijk van Mabel en Ernst George teweeg bracht--over naar de Gesuiwerde Nasionale Party in Transvaal. Aan al deze partijpolitieke bedrijvigheid kwam een einde toen E.G. Jansen op 1 juni 1951 werd ingehuldigd als Gouverneur-generaah

Dat Mabel Jansens opvattingen niet in strijd werden geacht met het dominante Afrikaner-nationalistische discours (de door Roos c.s. gesuggereerde verklaring voor de marginalisering van het werk van bepaalde vrouwelijke auteurs) blijkt uit alle eerbewijzen die ze tijdens haar leven ontving. Zo werd ze in 1929 als eerste vrouw gekozen tot lid van Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Taal, Lettere en Kuns; veertig jaar later werd ze--80 jaar oud--tot erelid benoemd. Daarnaast ontving ze in 1974 de erepenning van de FAK en werd ze in 1976 door president Diederichs onderscheiden met een Dekorasie vir Voortreflike diens. Nadat ze op 8 januari 1979 op 89-jarige leeftijd was overleden, werd ze door president P.W. Botha gememoreerd als "een van die groot vrouefigure van ons volk se geskiedenis" (Die Transvaler, 9 januari 1979). Op 12 januari--de dag waarop ze op de heldenakker van de begraafplaats van Verwoerdburg ter ruste werd gelegd--hingen de vlaggen in de beide regeringssteden Pretoria en Kaapstad halfstok. "Mnr. Chris Liebenberg, burgemeester van Verwoerdburg", zo meldde de Transvaalse krant Beeld daags tevoren, "het 'n dringende beroep gedoen op mense wie se name op die amptelike voorranglys van die staat verskyn, om sy kantoor voor twee uur vanmiddag te skakel met die oog op toewysing van sitplekke in die kerk" (Anon., 1979a).

Mabel Jansens verhalenbundel Die veldblommetjie illustreert duidelijk de verwevenheid van literatuur en maatschappelijk engagement die in het werk van veel van de eerste Afrikaanse schrijfsters kan worden aangetroffen. Interessant zijn in dit verband de argumenten waarmee W.M.R. Malherbe, redacteur van Die Brandwag, de bundel in zijn voorwoord bij de lezers aanbeveelt. Ten eerste, schrijft hij, zullen deze "smaakvolle" verhalen ook die Afrikaners tot lezen aanzetten "wat daarin nog niks anders kan sien nie as 'n nuttelose verspilling van kragte en van tyd" (Jansen, 1919:3). Bevordering van de leeslust, als onderdeel van de algemene strijd voor volksopvoeding, is een bekend topos in alle postkoloniale samenlevingen, en als zodanig werd het ook zowel door Preller, Malherbe en de andere mannelijke leiders van de Tweede Afrikaanse Taalbeweging als door de vrouwenorganisaties krachtig gepropageerd. Malherbe's tweede argument is dat Mabel Jansen met deze verhalenbundel zou bewijzen dat er voor Afrikaanse vrouwen en meisjes wel degelijk leven was buiten de "Engelse mode". Onder meer vanwege hun opleiding aan door Amerikaanse leraressen geleide onderwijsinstellingen zouden jonge vrouwen meer geneigd zijn om op het Engels over te stappen dan jongens en lazen zij ook vaker als verderfelijk beschouwde "novels", romannetjes. Een boek als Die veldblommetjie kon hier tegenwicht bieden. En dan was er het laatste argument. De bundel was volgens Malherbe "vrij van [...] oordrewe preutsheid" en legde zonder er veel doekjes om te winden "die sedebederf [...] wat saam met 'n bioskoopbeskawing tot ons oorgewaai het en wat besig is die gemoed van ons jongetjies en meisies te vergiftig" (Jansen, 1919:3-4). Het bioscoopbedrijf in Zuid-Afrika was vanaf het begin vooral een Amerikaanse aangelegenheid. Tog getuigt deze uitspraak in meer algemene zin ook van het verzet van een natie die zich losmaakt van de culturele dominantie van een of zelfs twee voormalige koloniale machten (in het geval van Zuid-Afrika: Nederland en Groot-Brittannje), en van het verzet van de Afrikaners--die zichzelf nog graag als een agrarisch volk beschouwden, ook al lag de werkelijkheid inmiddels anders--tegen de decadentie van de Oude Wereld. Tevens moet Malherbe's opmerking gezien worden in het licht van de armblanke-problematiek en het streven naar sociaal-economische en culturele volksopvoeding.

Een van de verhalen waarop Malherbe zijn betoog baseert, is "Prente (die gevare van die bioskoop)", waarin een Afrikaans meisje --misschien wat nafef en ijdel, maar goed opgevoed en met het hart op de juiste plaats--op het slechte pad gebracht wordt wanneer zij met haar ouders van de boerderij naar het dorp verhuist en daar in contact komt met een meer wereldse samenleving. Hoewel zij aanvankelijk nog wel het gevoel heeft dat deze "prenten" indruisen tegen het stelsel van goed en kwaad dat zij van thuis heeft meegekregen, raakt ze al gauw verslaafd aan bioscoopfilms en begint zij de schijnwereld die haar daarin wordt voorgespiegeld, voor waar aan te nemen. Ze raakt in de ban van meneer Fijnhardt, een doortrapte verleider, die niet voor niets afkomstig is uit de grote stad, het Engelsgeorienteerde Kaapstad. Fijnhardt wordt beschreven als "die slimgeleerde Kapenaar" en als "agent" (Jansen, 1919:82); hij oefent geen traditioneel en eerzaam beroep uit, maar belichaamt de wereld van het kapitalisme.

Als haar ouders haar de omgang met hem dreigen te verbieden, loopt Marie met Fijnhardt weg, naar de stad, niet wetend dat de schurk daar al een verloofde heeft. Ze krijgt een kind van hem, maar wordt in de steek gelaten en belandt aan lager wal, want: "[...] wie gee werk vir 'n verlate vrouw! Wie geloof in 'n bedroe meisie?" (Jansen, 1919:103) Met haar kind woont Marie in een vervallen gebouw aan de rand van het Maleierkwartier. Terwijl zij ziek op bed ligt, zwerft haar vierjarige zoontje over straat en de enige die zich af en toe over het kind ontfermt en hem wat eten toestopt, is een kleurlingvrouw. Dat het een bruinvrou is die het kind hier, op ruwe wijze, wat medemenselijkheid betoont, is interessant; over het algemeen lijkt de schrijfster juist dat afglijden naar de wereld van de niet-blanken als het belangrijkste bewijs voor Marie's maatschappelijke neergang te beschouwen: dit is waartoe het verlies van traditionele Boerenwaarden kan leiden. Het verhaal eindigt ermee dat Marie op een dag haar moeder ziet lopen. Als ze zich ervan heeft verzekerd dat haar moeder zich over het kind zal ontfermen en dit dus niet de dupe zal worden van haar misstap, stort ze zich in zee. Voor haar is er--na wat ze gedaan heeft--op deze wereld geen redding mogelijk.

De stijl van dit verhaal staat nog ver af van die van de realistische romans die Marie Linde en haar generatiegenoten in de jaren '20 zullen publiceren en die--zoals door meerdere contemporaine critici is onderkend--verwant zijn aan het gematigde naturalisme van Nederlandse romanschrijfsters uit dezelfde periode, zoals lna Boudier-Bakker en Jo van Ammers-Kuller. Mabel Jansen was lid van het Pietermaritzburgse lees- en debatsgezelschap waar later de Saamwerkunie uit voort zou komen. Uit de jaarverslagen blijkt dat deze club in 1914 is begonnen met de oprichting van een eigen bibliotheek; deze bibliotheek was een van de begunstigden van de Boekencommissie van het Algemeen Nederlands Verbond. (7) De administratie van de Boekencommissie, die kort na de Boerenoorlog begon met het verschepen van honderden kisten met boeken, vooral bestemd voor debatsverenigingen, schoolbibliotheken en ACVV-afdelingen op het Zuid-Afrikaanse platteland, is bijna volledig overgeleverd en op basis daarvan kan redelijk precies vastgesteld worden wat men las. (8) Het blijkt dat de Nederlandse literatuur die de Boekencommissie geschikt achtte voor de nog onbedorven Afrikaners vooral bestond uit historische romans, Biedermeierpoezie, geschiedverhalen en godsdienstige tractaten. De fin-de-siecle-literatuur van de Tachtigers werd minder geschikt bevonden en die ene keer toen er toch eens een bundel naturalistische verhalen van Frans Coenen door de censuur glipte, kwam van de ontvangende Zuid-Afrikaanse onderwijzer onmiddellijk het verzoek om in het vervolg van zulke vuiligheid verschoond te blijven (Van Nes, 1910). In een overzicht van de ontstaansgeschiedenis van Die Pietermaritzburgse Debat en Letterkundige Vereniging (9) noemt Mabels echtgenoot De Genestet, Nicolaas Beets, Tollens, Bilderdijk, Vondel, Multatuli en Conscience als schrijvers wiens werk tijdens de vergaderingen besproken werd. Het "gevallen meisje" was een bekend motief in de West-Europese literatuur van het midden van de negentiende eeuw en ook het idee dater voor zo'n meisje--zelfs al kwam ze er maatschappelijk weer bovenop--moreel gezien eigenlijk geen uitkomst was, komt daar al voor.

Dit zegt dus iets over de literaire traditie waarin een verhaal als "Prente" gezien moet worden. Maar tegelijkertijd is er die unieke Zuid-Afrikaanse inkleuring: het verschil tussen het leven op de plaas en in de stad, de armblanke-problematiek en de verhouding tussen blanken en kleurlinge. De moeder van het meisje, Tante Koot, is een eerbiedwaardige dame, een ware volksmoeder. Nadat Marie met Fijnhardt is weggelopen, heeft Tante Koot alles geprobeerd om haar dochter terug te vinden.
 Sy het haar aangesluit bij die bende brawe moeders, wat vir die
 gevallene van ons nasie werk, en in die droewige reddingsstrewe
 het sij ontsaglik reel geleer en gelij! Want dis nie alleen
 van die armstes van ons land wat daardie verderf insak nie--dis
 geen wonder dat hulle val, hulle groei dikwels in sonde en
 versoeking op--maar dis dikwels van die beste en fijnste van
 ons yolk wat die sonde-put ook in val (Jansen, 1919:108).


En even verderop:
 Dis die wurm, die verderflike invloede wat onse volk se
 ruggegraat verbreek; wat onse jeug van sij reinheid ontroof,--
 wat onse meisies se harte met vuilheid besoedel, wat onse
 seuns met sedelike melaatsheid besmet! (Jansen, 1919:109).


5. Conclusle

In het verhaal "Prente" geeft Mabel Jansen een literaire verwerking van een van de kernpunten van het beleid van het ACVV, de SAVF en andere vrouwenorganisaties, namelijk de opvoeding van jonge vrouwen tot waardige moeders van het volk, met name daar waar de gevaren het grootst geacht werden--in de stad. Zoals te lezen valt in het proefschrift van Marijke du Toit voerde de ACVV, bijvoorbeeld niet alleen actie voor de invoering van filmcensuur (prente worden in Mabel Jansens verhaal als oorzaak van Marie's morele ondergang voorgesteld!), maar richtte ze ook kraamklinieken en opvanghuizen voor ongehuwde moeders op, beijverde ze zich voor de opleiding van verloskundigen en bracht ze soms zelfs geld bijeen om armblanke gezinnen vanuit een bruine of zwarte woonbuurt te laten verhuizen naar plaatsen waar zij konden terugkeren in de schoot van het eigen volk.

Wie de realistische romans en verhalen van schrijfsters uit de jaren twintig er nog eens op naleest, zal merken dat de ideeen hierin grotendeels aansluiten bij het beleid van de vrouwenorganisaties, bijvoorbeeld ten aanzien van de opvang van ongetrouwde moeders of de opleiding van blanke dienstmeisjes. In dit opzicht bieden deze teksten een fascinerend tijdsbeeld. Zoals Mabel Jansens verhaal laat zien, vormden ze ook een afspiegeling van het denken over rassenverhoudingen in de eerste dekaden van de twintigste eeuw. Wat dat betreft zijn onder meer bij Essie Malan, Susanna Bruwer, Eva Walter en Anna de Villiers racistische uitlatingen te vinden die nu als schokkend ervaren worden; ook als zodanig waren deze schrijfsters beslist kinderen van hun tijd.

Er kan dan ook worden vastgesteld dat het werk van deze schrijfsters over het algemeen minder controversieel was dan begin jaren negentig werd gesuggereerd. Het was onderdeel van en speelde een construerende rol in het bredere institutionele kader van een tijdschrift als Die Boerevrou, de vrouwenorganisaties en de verbreiding van het Volksmoeder-ideaal. Het loont dus de moeite om deze teksten te vergelijken met, bijvoorbeeld, de studies van Lou-Marie Kruger over Die Boerevrou en van Marijke du Toit over de ACVV. Ook deze verhalen en romans droegen bij tot de constructie van het--overigens uiterst rekbare--Afrikaner-nationalistische discours, met al zijn mooie en minder mooie kanten. Als aangenomen mag worden dat ze dus niet in strijd waren met het heersende discours, resteert de door Henriette Roos terecht opgeworpen vraag waarom de romans van de eerste Afrikaanse schrijfsters (na een aanvankelijk welwillend onthaal omdat het hier nu eenmaal ging om het werk de eerste vrouwelijke auteurs in een jonge literatuur) uit de canon zijn verdwenen. In internationaal perspectief lijkt deze ontwikkeling evenwel niet zo verwonderlijk. De afwijzende houding die de veelal mannelijke Afrikaanse critici al spoedig begonnen aan te nemen jegens het realistische proza van vrouwelijke auteurs, verschilt namelijk niet zoveel van de reactie van hun eveneens mannelijke collega's elders in de wereld. Ook in bijvoorbeeld Groot-Brittannie, de Verenigde Staten en Nederland werden dergelijke romans steeds vaker met dedain begroet. Als voornaamste bezwaar werd aangevoerd dat de onderwerpkeuze van deze schrijfsters niet belangwekkend genoeg zou zijn. Mede als gevolg van de vele beperkingen die zij, als vrouwen, in hun eigen maatschappelijk bestaan ondervonden, zou hun verwijzingsraamwerk immers beperkt blijven tot "the sewing circle rather than the whaling ship, the nursery instead of the lawyer's office" (Kolodny, 1985:49). (10)

Bestudering van contemporaine recensies met betrekking tot het werk van de eerste Afrikaanse romanschrijfsters wijst uit dat de omslag in waardering in de Afrikaanse literatuurkritiek al in een vroeg stadium plaatsvond, namelijk tussen het verschijnen van de eerste romans in 1925 en de publicatie van Anna de Villiers' Sterker as die noodlot in 1930. De literaire kritiek liep hiermee vooruit op het oordeel van de literatuurgeschiedschrijving, waar de omslag zich, zoals Roos (1992:51) heeft geconstateerd, vooral vanaf de jaren veertig zou gaan voltrekken. De snelheid waarmee de omslag in de krant- en tijdschriftkritiek plaatsvond, zou misschien meer specifiek verklaard kunnen worden vanuit de interferentie tussen het Nederlandse en het Afrikaanse literaire systeem. Ook in Zuid-Afrika bestond er, net als in Nederland, aanvankelijk namelijk grote waardering voor het werk van schrijfsters als Ina Boudier-Bakker en Jo van Ammers-Kuller. Het lijkt erop dat de Afrikaanse critici, zodra ze merkten dat de toonaangevende critici in Nederland ten aanzien van het werk van deze schrijfsters een verzadigingspunt hadden bereikt, (11) met betrekking tot de Afrikaanse literatuur dezelfde lijn hebben gevolgd. (12) Daarbij raakte de Afrikaanse literatuur in de jaren twintig meer gevestigd en meer gedifferentieerd, wat het veer het eerst mogelijk maakte om een onderscheid te maken tussen literatuur en lectuur, tussen hoge en lage genres. De "damesroman" was een van de eerste genres die naar het domein van de triviale literatuur werden gedelegeerd.

Kernbegrippen:

damesroman in Afrikaans

institutionele benadering

literatuurgeschiedschrijving

marginalisering

vrouwelijke auteurs

Key concepts:

female authors

institutional approach

literary historiography

marginalisation

womens's literature, Afrikaans

Geraadpleegde bronnen

ANON. 1929. Recensie van Susanna Bruwers roman Bodemvas. Die Unie: 55-56, 1 aug.

ANON. 1979a. Landwye huldeblyk vir mev. Jansen. Beeld: 11 Jan.

ANON. 1979b. Premier eer mev. Jansen: Die Transvaler, 9 Jan.

BAYM, N. 1985. Melodramas of beset manhood: how theories of American fiction exclude women authors. (In Showalter, E., ed. The new feminist criticism: essays on women, literature, and theory. Londen: Virago. p. 63-80.)

BRINK, E. 1990. Man-made women: gender, class and the ideology of the velksmoeder. (In Walker, C., ed. Women and gender in Southern Africa to 1945. Kaapstad: David Philip p. 273-292)

BRUWER, S. 1929. As 'n vrou wil skryf: 'n skets uit die getroude lewe. Die Nuwe Brandwag, 1(4):235-236, Nov.

CLOETE, E. 1992. Afrikaner identity: culture, tradition and gender. Agenda, 13:42-56.

DU TOIT, M. 1996. Women, welfare and the nurturing of afrikaner nationalism: a social history of the Afrikaanse Christelike Vroue Vereniging, c. 1870-1939. Cape Town: UCT. (Dissertation.)

GLORIE, I. 2004. "... Een reuzen-taak, die bijna 't onmogelijke vordert ...": de boekenzendingen van het Algemeen Nederlandsch Verbond (1902-1927). Tydskrif vir Nederlands en Afrikaans, 11(1): 41-64.

GREYVENSTEIN, S. 1989 Martha Mabel Jansen se bydrae op kulturele, politieke en maatskaplike gebied in Natal, 1910-1930. Bloemfontein: UOVS. (Honneursscriptie.)

HOFMEYR, I. 1993. Building a nation from words: Afrikaans language, literature and ethnic identity. (In Marks, S., & Trapido, S., eds. The politics of race, class and nationalism in twentieth-century South Africa. London: Longman. p. 95-123.)

JANSEN, M. 1919. Die veldblommetjie, en andere verhale. Bloemfontein: Nationale Pers.

JOHN, P. 1994. O, my kuns! 'n semiotiese analise van die estetiese problematiek in Onder bevoorregte mense deur Marie Linde. Tydskrif vir Letterkunde, 32(2): 12-24.

KANNEMEYER, J.C. 1978. Geskiedenis van die Afrikaanse literatuur. Deel 1. Kaapstad: Academia.

KOCH, J. 2002. Outsider onder de zijnen: vormen van xenofanie in de Afrikaanse roman. Wroclaw: Wydawnictwo Uniwersytety Wroclawskiego.

KOLODNY, A 1995. A map for rereading: gender and the interpretation of literary texts. (In Showalter, E., ed. The new feminist criticism: essays on women, literature, and theory. Londen: Virago. p. 46-62.)

KRUGER, L.-M. 1991. Gender, community and identity: women and Afrikaner nationalism in the volksmoeder discourse of Die Boerevrou. Cape Town: UCT. (M.A. dissertation.)

LOURENS, A. 1997. Polemiek en kanon: kanonisering van die vroulike outeur in die Afrikaanse prosa van die dertiger- tot die negentigerjare. Pretoria: UP. (M.A.-verhandeling.)

M.E.R. kyk ROTHMAN, M.E.

McCLINTOCK, A. 1995. Imperial leather: race, gender and sexuality in the colonial contest. New York: Routledge.

MEIJER, M. 1988. De lust tot lezen: Nederlandse dichteressen en het literaire systeem. Amsterdam: Sara/Van Gennep. (Dissertatie.)

MEIJER, M. 1993. 16 juni 1937: Annie Romein-Verschoor krijgt de Dr. Wijnaendts Francken-prijs voor Vrouwenspiegel--de schrijvende vrouw en de kritiek. (In Schenkeveld-Van der Dussen, M.A., red. Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Amsterdam: Contact. p. 682-689.)

NIENABER, P.J. 1943. Bronnegids by die studie van die Afrikaanse taat en letterkunde. Johannesburg: Nienaber.

ROOS, H. 1992. Drie "dames"-romans. Tydskrif vir Letterkunde, 30(2):41-52.

ROTHMANN, M.E. 1976. My beskeie deel: 'n outobiografiese vertelling. Kaapstad: Tafelberg.

SHOWALTER, E. 1984 [1977]. A literature of their own. British women novelists from Bronte to Lessing New rev. ed. London: Virago.

SICKING, J.M.J. 1993. Januari 1928: Menno ter Braak bespreekt Eva van Carry van Bruggen--Ideeenromans. (In Schenkeveld-Van der Dussen, M.A., red. Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Amsterdam: Contact. p. 636-641.)

VAN BOVEN, E. 1992. Een hoofdstuk apart: "Vrouwenromans" in de literaire kritiek, 1898-1930. Amsterdam: Sara/Van Gennep. (Dissertatie.)

VAN DEN HEEVER, 1930. Resensie oor Sterker as die noodlot van Anna de Villiers. Volksblad: 14 Okt.

VAN NES, J. 1910. Bloedrivierschool, Transvaal 28 januari 1910. Antwerpen. AWV-archief, map. 301.

VAN NIEKERK, A. 1990. introduction. (In Van Niekerk, A., ed. Raising the blinds. Parklands: Donker. p. 11-28.)

VAN NIEKERK, A. 1999a. 'n Voorstel vir die geskiedskrywing van die Afrikaanse vrouevertelling: 'n feministiese perspektief. Johannesburg: Universiteit van die Witwatersrand (M.A.-verhandeling.)

VAN NIEKERK, A. 1999b. Die Afrikaanse vroueskrywer--van egotekste tot postmodemisme (18e eeu-1996). (In Van Coller, H.P., red. Perspektief en profiel: 'n Afrikaanse literatuurgeskiedenis. Deel 2. Pretoria: Van Schaik. p. 305-443.)

Ingrid Glorie

Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur

Universiteit Utrecht

UTRECHT

en

Navorsingsgenoot Universiteit van die Vrystaat

Bloemfontein, Suid-Afrika

E-pos: ingrid.glorie@let.uu.nl

(1) Lezing gehouden tijdens het ALV/SAVN-congres in Potchefstroom, september 2004. Met dank aan dr. Frans Ruiter (Utrecht) en prof. dr. Elize Botha (Pretoria), prof. dr. Siegfried Huigen, prof. dr. Lina Spies en prof. dr. Louise Viljoen voor hun commentaar op een eerdere versie van deze tekst.

(2) Gezocht is naar informatie over Lenie Boshoff-Liebenberg, Sadie Bosman, Susanna Bruwer, A.E. Carinus-Holtzhausen, Hettie Cillie, Chris Euvrard, Sarah Goldblatt, Mabel Jansen, Marie Linde, Essie Malan, Mabel Malherbe, Sara Niemeyer, Mevr. Oelofse, Niggie van Eitemal, Hilda Postma, Rikie Postma, Meg Ross, Tannie van Die Brandwag, Anna de Villiers en Eva Walter.

(3) Dit overzicht is gebaseerd op bestaande publicaties en op archiefonderzoek bij onder meer NALN (Bloemfontein), het Staatsargief (Pretoria), de Suid-Afrikaanse Biblioteek (Kaapstad) en het Dokumentesentrum (J.S. Gerickebiblioteek, Stellenbosch). Met dank aan mevr. Gerda Stroebel, mew. Erika Terreblanche en dhr. John Moremoholo (Bloemfontein), mevr. Hanna Botha en mevr. Maryna Brink (Stellenbosch) en mevr. Lerita Pretorius (Pretoria).

(4) Voor verdere verklaringen van lauwheid, zie Kruger (1991:179 e.v.).

(5) Dit artikel is gebaseerd op Iopend proefschriftonderzoek waarin niet alleen wordt gekeken naar de institutionele posities van de in noot 2 genoemde schrijfsters, maar ook naar een zestal romans van vrouwelijke auteurs. Naast de al genoemde titels van Linde, Ross en Walter gaat het om Deur 'n geleende bril van Essie Malan (1926), Bodemvas van S. Bruwer (1929) en Sterker as die noodlot van Anna de Villiers (1930). In een volgend artikel, dat eind 2005 in Tijdschrift veer Genderstudies zal verschijnen, zat ik via tekstanalyse aantonen dat de strekking van deze romans overeenstemde met het beleid van de contemporaine vrouwenorganisaties, die gegrondvest waren in en een bijdrage leverden aan de heersende ideologie van het Afrikaner-nationalisme.

(6) Greyvenstein (1989), Van Niekerk (1999a:248-249) en Van Niekerk (1999b: 337, 344-345).

(7) INEG, PV 94: Adv. E.G. Jansen-versameling, Ieer nr. 1/48/111 (1908-1944).

(8) Voor het functioneren van de Boekencommissie van het ANV, zie Glorie (2004).

(9) INEG (Bloemfontein), PV 94: Adv. E.G. Jansen-versameling, Ieer nr. 1/48/1/1 (1908-1944).

(10) Zie ook Showalter (1984), Baym (1985), Meijer (1988) en Van Boven (1992).

(11) Cf. Van Boven (1992), Sicking (1993) en Meijer (1993).

(12) Zie bijvoorbeeld de recensie van CM. van den Heever over Sterker as die noodlot van Anna de Villiers (Volksblad, 14 oktober 1930).
COPYRIGHT 2005 Literator Society of South Africa
No portion of this article can be reproduced without the express written permission from the copyright holder.
Copyright 2005, Gale Group. All rights reserved. Gale Group is a Thomson Corporation Company.

Article Details
Printer friendly Cite/link Email Feedback
Title Annotation:Strong women! The Institutional position of the first women writers In Afrikaans
Author:Glorie, Ingrid
Publication:Literator
Geographic Code:6SOUT
Date:Aug 1, 2005
Words:6874
Previous Article:Hands as markers of fragmentation.
Next Article:The technique of flashback in selected Northern Sotho literary texts.
Topics:


Related Articles
Shouting down Abraham: how sixteenth century Huguenot Women found their voice.
Waterslangverhale in Afrikaans: die relevansie van mitisiteit.
'n Geskakeerde bydrae tot herinnerings-literatuur.
Is taalsake 'n hulpbron of 'n probleem?
'n Vermenging van die Khoi-San en die Ooste.
Johannes Kerkorrel en postapartheid-Afrikaneridentiteit.
Komrij se poetiese reikwydte vertaal?
'n Waardevolle naslaanbron oor Afrikaanse kinder- en jeugliteratuur.

Terms of use | Privacy policy | Copyright © 2019 Farlex, Inc. | Feedback | For webmasters