Printer Friendly

Korte signaleringen.

Francien van Anrooij, De koloniale staat 1854-1942; Gids voor het archief van het ministerie van Kolonien; De Indonesische archipel. Den Haag: Nationaal Archief, 2009, 272 pp. ISBN 978.90.74920.25.4. Prijs 7,50 [euro] (te bestellen of af te halen bij het Nationaal Archief).

Jan Derix, Brengers van de Boodschap; Geschiedenis van de katholieke missionering vanuit Nederland van VOC tot Vaticanum II. Nijmegen: Valkhof Pers, xx+803 pp. ISBN978.90.5625.311.0. Prijs 39,50 [euro].

Bert L.T. van der Linden, Nou ... tabe dan!; De 'bootreis' naar Indie met de Rotterdamsche Lloyd en de 'Nederland' tussen 1899 en 1949. Hilversum: Verloren, 2010, 180 pp. ISBN 978.90.8704.174.8. Prijs 19,00 [euro].

Harm Stevens, Jos Stoopman en Pauljac Verhoeven (red.), De laatste Batakkoning; Koloniale kroniek in documenten 1883-1911. Arnhem: Museum Bronbeek, 2010, 272 pp. ISBN 978.90.802277.4.3. Prijs 18,00 [euro] (te bestellen bij Museum Bronbeek, Velperweg 147, 6824 MB Arnhem of via loket.ktomm.bronbeek@mindef.nl).

Meta Knol, Remco Raben en Kitty Zijlmans (red.), Beyond the Dutch; Indonesie, Nederland en de beeldende kunsten van 1900 tot nu. Amsterdam: KIT Publishers, 2009, 200 pp. ISBN 978.94.6022.056.2. Prijs 24,50 [euro]. [Ook in Engelstalige versie: Beyond the Dutch; Indonesia, the Netherlands and the visual arts from 1900 till now. ISBN 978.94.6022.059.3.]

Hans van Wessel (eindredactie), Indische sporen; Bronnen voor lerarenopleiders. Nijmegen: Vantilt, 2008, 200 pp. ISBN 978.90.77503.98.0. Prijs 15,00 [euro].

Van Nederlandsch Indie tot Indonesie. Samenstelling Hans van den Berg. 2 dvd's, 222'. Z.p.: Just Entertainment, 2009. Geen vaste prijs (ca. 17,00). Nederlands-Indie in de Tweede Wereldoorlog. Samenstelling Rene Kok. Amsterdam: Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD)/ Zwolle: Waanders, 2010, 3 dvd's (270')+ boekje. Geen vaste prijs (ca. 15,00).

Strijd om Indie; Het Nederlands-Indonesische conflict 1945-1949. Samenstelling Rene Kok. Amsterdam: Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD)/Zwolle: Waanders, 2010, 2 dvd's (258') + boekje. Geen vaste prijs (ca. 17,00 [euro]).

Sjahrir, een grondlegger van het onafhankelijke Indonesie; Soetan Sjahrir 1909-1966. Den Haag: Stichting Vrienden van Linggadjati, Apeldoorn: Stichting Indisch Erfgoed, 2009, dvd 40' 30". Prijs 12,50 [euro] (te bestellen bij W.F. Sililatu, Apeldoorn, bankrekening 393427463).

Rita Young en Zwaan de Vries, Oorlog en overleven buiten Japanse kampen; Drie generaties vertellen ... Nijmegen: Uitgeverij Flanor/ Drukkerij Van Marmeren Repro, 2009, 128 pp. ISBN 978.90.73202.70.2. Prijs 17,50 [euro] (te bestellen bij Flanor, Beijensstraat 30, 6521 EC Nijmegen, bankrekening 1912112).

Beatrijs van Agt, Florine Koning, Esther Tak en Esther Wils, Het verborgen verhaal; Indische Nederlanders in oorlogstijd 1942-1949. Den Haag: Stichting Tong Tong, zonder jaar, 144 pp. ISBN 978.90.78847.01.4. Prijs 14,50 [euro].

Florine Koning, De Pasar Malam van Tong Tong, een Indische onderneming. Den Haag: Stichting Tong Tong, 2009, 275 pp. ISBN 978.90.78847.06.9. Prijs 32,50 [euro].

Piet Sanders, Herinneringen. Amsterdam: SUN, 2009, 135 pp. ISBN 979.90.8506.732.0. Prijs 19,50 [euro].

Wouter Meijer, 'Ze zijn gek geworden in Den Haag'; Willem Oltmans en de kwestie Nieuw-Guinea. Amsterdam: Elsevier, 2009, 157 pp. ISBN 978.90.6882.758.3. Prijs 14,95 [euro].

Edwin Oden, De man van 8 miljoen; Vriend & vijand over het fantastische leven van Willem Oltmans 1925-2004. Amsterdam: Balans, 2010, 297+32 pp. ISBN 978.94.600.3283.7. Prijs 19,95 [euro].

Albert Kersten, met medewerking van Frits Bergman, Luns, een politieke biografie. Amsterdam: Boom, 2010, 704+48 pp. ISBN 978.90.8506.935.5. Prijs 39,90 [euro].

Jacob Vredenbregt, Terugzien en nakaarten; Zestig jaar ooggetuige in Indonesie. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2009, 336 pp. ISBN 978.90.388.9292.4. Prijs 24,90 [euro].

Melati van Java, Fernand. Met een inleiding van Vilan van de Loo. Amsterdam: KIT Publishers, 2009, 320 pp. ISBN 978.94.6022.013.5. Prijs 17,50 [euro].

Annie Foore, Bogoriana; Roman uit Indie. Met een inleiding van Vilan van de Loo. Amsterdam: KIT Publishers, 2009, 320 pp. ISBN 978.94.6022.032.6. Prijs 17,50 [euro].

Mina Kruseman, Een huwelijk in Indie. Met een inleiding van Vilan van de Loo. Amsterdam: KIT Publishers, 2009, 280 pp. ISBN 978.94.6022.031.9. Prijs 17,50 [euro].

De koloniale staat 1854-1942 is een onderzoeksgids waarin Francien van Anrooij de 'Indische' collecties van het Nationaal Archief, met de nadruk op het archief van het ministerie van kolonien, toegankelijk maakt uit een institutionele invalshoek: het Indische koloniale bestuursapparaat. De hoofdstukken volgen dan ook de zesdelige bestuurlijke organisatie die in Batavia fungeerde: Binnenlands Bestuur; Onderwijs en Eredienst; Justitie; Financien; Landbouw, Nijverheid en Handel (Economische Zaken); en Burgerlijke Openbare Werken (Gouvernementsbedrijven; Verkeer en Waterstaat). Een zeer nuttig overzicht van de departementale opbouw en de veranderingen daarin gaat vooraf aan een overzicht van archieven, gedrukte bronnen en literatuur. De informatie over de algemene departementsarchieven wordt gevolgd door een beschrijving van archieven van semi-zelfstandige dienstonderdelen zoals Boswezen, Volkskredietwezen, Adviseur voor Inlandse Zaken, Oudheidkundige Dienst, en van personen en niet-gouvernementele instanties. Dat laatste is niet uitputtend, maar is onderdeel van Van Anrooijs bedoeling de collectie meer bekendheid te geven en structuren en dwarsverbanden erin te tonen. Voor een uitputtende eerste orientatie is een vervolg via de website van het Nationaal Archief aangewezen. Al met al is dit een zeer nuttig boekwerk, dat iedere onderzoeker van het koloniale Indie van nut zal zijn--alleen het register is nogal mager--dat fraai is uitgegeven en voor een weggeefprijs wordt uitgedeeld door het Nationaal Archief.

De journalist Jan Derix (1936-2009) zette zich na zijn pensionering aan het schrijven van een samenvattend overzicht van de Nederlandse missie die na de gelijkberechtiging van de katholieke kerk rond 1850 een steeds gewichtiger plaats kreeg in de katholieke activiteiten. Zijn motivering vond Derix deels in zijn eigen afgebroken opleiding tot missionaris, deels in zijn 'verbazing, onthutsing en mededogen' over en voor het missiewerk en de duizenden die zich daartoe geroepen voelden. In Nederland waren dat van 1840 tot 1960 5000 tot 6000 priestermissionarissen, 5500 tot 6500 zusterreligieuzen en 4000 tot 4500 broederreligieuzen--in totaal dus 14500 tot 17000 mannen en vrouwen die werden uitgezonden, relatief veel meer dan het aantal Nederlandse katholieken zou doen verwachten. Derix begint zijn verhaal met de dood van Bonifatius in 754, en neemt ook verder ruimte om de algemene missiepolitiek, zoals uitgestippeld door het Vaticaan en uitgewerkt in de Nederlandse kerkprovincie, te beschrijven. De vroege rol van de Noordelijke Nederlanden was daarin beperkt, hoewel Casper Berse (1515-1553), geboren in Goes en overleden in Goa, als naaste assistent van Franciscus Xaverius, met ere wordt genoemd. Met het begin van de Tachtigjarige Oorlog (1568) was er bijna drie eeuwen lang geen openbare katholieke activiteit in de Republiek. Nederland werd zelf missiegebied. Natuurlijk keek de missie daarna ook naar Indie als missieland. Tegenwerking van officiele zijde en

van de zending zetten lang een rem op de verbreiding van het geloof in Indie. De bloeitijd van de missie liep van 1920 tot 1942. In dat laatste jaar werkten 600 priesters, 500 broeders en 1800 zusters voor een sterk groeiende katholieke zuil. De Japanse bezetting en het dekolonisatieconflict verhinderden een verdere groei. De katholieke kerk werd inheems en de Nederlandse priesters, zusters en broeders werden vervangen, een proces dat samenviel met de ondergang van de missie zelf. Die instorting verliep razendsnel: de missie is vergeten en achterhaald, en de laatste missionarissen hebben hun missielanden en kloosters verruild voor verzorgingshuizen. Het gaat Derix in zijn postuum verschenen boek, Brengers van de Boodschap, om de identiteit en de activiteiten van deze missionarissen. Vooral als pioniers in onherbergzame gebieden was hun werk schijnbaar vruchteloos en vol risico: dodelijke ziektes en gewelddadige aanvallen, maar zij bleven. Naast het algemene kader verschaft Derix overzichten per missiegebied: De West, Noord- en Zuid-Amerika, Scandinavie, tropisch Afrika en China. Het is een goedgeschreven overzichtswerk geworden dat juist door zijn algemene aanpak van de missie waardevol is. Derix besteedt vijf hoofdstukken, en bijna tweehonderd bladzijden aan de missie in Indie. Het is daarom opmerkelijk dat hij het tweedelige, Engelstalige Catholics in Indonesia, 1808-1942 (2003, 2007) van Karel Steenbrink niet vermeldt in zijn uitgebreide bibliografie, hoewel er sprake is van flinke overlapping tussen beide boeken. En voor het gebruik als naslagwerk is het wel zeer jammer dat kaarten ontbreken en er geen registers zijn toegevoegd op zaken (bijvoorbeeld congregaties) en geografische namen.

Voor een goede uitoefening van het koloniaal bestuur waren de verbindingen tussen moederland en kolonie van het allergrootste belang. De Nederlandse regering was dan ook nauw betrokken bij het ontwikkelen van eigen Nederlandse verbindingen die tot de oprichting leidde van de Stoomvaart Maatschappij 'Nederland' (1870) en de Rotterdamsche Lloyd (1883). Met steeds snellere, grotere en luxueuzere schepen kreeg de veelbeschreven bootreis naar Indie een bijzondere betekenis. De maatschappijen zelf waren ook zeer actief bij de promotie van hun Indielijn. Een manier was door middel van de uitgave van prentbriefkaarten die al spoedig na hun introductie rond 1900 grote populariteit kregen. In Nou ... tabe dan! brengt Bert van der Linden 204 van die kaarten bijeen, alle uit eigen collectie. Hij laat eerst de kaarten zien van de havens die worden aangedaan, daarna de kaarten van de schepen van buiten en van binnen en tot slot citeert hij uit de schrijfsels over de reis die hij op de kaarten vond. Het boek is niet alleen een plaatjesboek, maar ook een deskundig overzicht, vooral aan de hand van vele citaten, van de reis en de schepen.

Si Singamangaradja XII (1849-1907) was de laatste Batakvorst; hij werd op 17 juni 1907 gedood door het KNIL dat bijna drie maanden lang jacht op hem had gemaakt. Het was een 'bijdrage' aan het vestigen van de Pax Neerlandica in de gehele archipel. De Buitengewesten werden onder effectief Nederlands gezag gebracht, een proces dat voor de Bataklanden al enkele decennia aan de gang was waarbij kerstening en geweld, met een uitbarsting in 1883 toen ook Si Singamangaradja in verzet kwam, hand in hand gingen. De tentoonstelling in Museum Bronbeek in 2008 is vastgelegd in het boek De laatste Batakkoning. Voor nostalgie is geen plaats, integendeel het is volgens de samenstellers de 'hardvochtige praktijk aan de frontlinie van het Nederlandse koloniale avontuur' met 'de systematische geweldsuitoefening, de intimidatie, de repressie en de weerstand daartegen' die de realiteit bepaalden. Zij laten dat zien met voorwerpen, foto's en documenten, vrijwel alle eigentijds, in chronologische volgorde vaak compleet overgenomen, meestal in facsimile. Zo besluiten drie artikelen van samen tachtig bladzijden het boek, en staan er in de tekst krantenartikelen, rapporten, brieven, maar vooral ook foto's van verbluffende kwaliteit. De fraaie boekverzorging doet aan de tentoonstelling volledig recht. En zo ook krijgt Si Singamangaradja contouren, al blijft het incompleet--dat was geen belemmering hem in de jaren zestig van de vorige eeuw uit te roepen tot Pahlawan Nasional (Nationale Held).

De tentoonstelling Beyond the Dutch in het Centraal Museum in Utrecht (oktober 2009-januari 2010) over de beeldende kunst in en over Indie/Indonesie van 1900 tot nu was een originele en interessante confrontatie van de kunstwerken zoals die werden gemaakt tijdens de koloniale periode, in de jaren van revolutie en tijdens het onafhankelijke Indonesie en de overeenkomsten en verschillen tussen Nederlandse en Indonesische kunstenaars hierbij. In de catalogus--in Nederlandse en Engelse editie beschikbaar--staan de kunstwerken vrijwel alle afgebeeld. Daarnaast bevat Beyond the Dutch dertien artikelen (vijf van Indonesische auteurs) die een leidraad bieden voor beter begrip van deze kunst. Natuurlijk wordt begonnen met Raden Saleh en zijn beroemde schilderij over de arrestatie van Diponegoro, waarna de koloniale visie op de inheemse kunst wordt geanalyseerd. De 'Mooi Indie'-school wordt na 1942 opgevolgd door revolutionaire kunst, in dienst van Japanse bezetter, Revolutie en Soekarno's geleide democratie. Maar er waren ook andere scholen, die na 1965 de ruimte kregen en in al hun variatie geen enkele relatie meer onderhouden met het koloniale verleden. Voor Nederlandse kunstenaars met Indische wortels ligt dat anders; zij laten die invloed in hun werk duidelijk zien. De artikelen verschaffen veel informatie, maar lijden aan overlapping, terwijl het abstractieniveau van enkele bijdragen wel wat verlaagd had mogen worden. En waarom ontbreekt een register?

De Indo-Europese Nederlanders en de Indische cultuur zijn het onderwerp van Indische sporen. Het boek is bedoeld voor lerarenopleiders op hogescholen die het kunnen gebruiken om met hun studenten projectmatig aan de slag te gaan. Het gaat over de beeldvorming van Indonesie, inburgering, de kernelementen van Indische cultuur en de wisselwerking met de Nederlandse cultuur. Zes auteurs tonen hun aanpak in stukken die, gebaseerd op ruime research, ingaan op mogelijkheden om via levensgeschiedenissen, foto's, films, jeugdboeken, gedrukte periodieken en veldonderzoek in Yogyakarta antwoord op deze vragen te krijgen. Voor de algemene lezer staan er interessante zaken in dit verzorgd uitgegeven boek, maar de didactische doeleinden dragen niet bij tot de leesbaarheid.

De twee dvd's Van Nederlandsch Indie tot Indonesie bevatten een heterogene verzameling bewegend materiaal, met spaarzame toelichting over feiten en achtergronden. Dat is jammer, zeker bij de eerste lange film 'L'Indonesie, comment elle vit, comment elle travaille' (67 minuten), een naoorlogse compilatie van opnamen over Indie. De opnamen worden toegeschreven aan Willy Mullens, die in 1926 langdurig filmde in de Oost, maar het is duidelijk dat een aantal fragmenten van na dat jaar zijn. Dit is in overeenstemming met bronnen die het uitbrengen van de film in eerste editie soms op 1936 dateren. Het is in ieder geval een unieke productie die succes en moderniteit van het koloniale project benadrukt en daaraan exotische etnografica toevoegt. Twee korte stukken over Japanse vrouwenkampen worden gevolgd door een drietal journaals over de verdrijving van het Japanse leger uit Nieuw-Guinea, waarin veel aandacht is voor de rol van de Netherlands Indies Civil Administration (NICA) hierbij. De Nederlandse film 'Linggadjati in de branding' (46 minuten) die Nederlands eerste militaire actie rechtvaardigt en aanloop en verloop daarvan toont is een welkome toevoeging. De historische beelden van de soevereiniteitsoverdracht in Amsterdam maken nog steeds indruk. Over de nasleep van Nieuw-Guinea is een onsamenhangend verhaal bijeengeplakt. De lange film (47 minuten), ten slotte, over het staatsbezoek van koningin Juliana en prins Bernhard aan Indonesie in 1971 is een bijzonder document, hoe obligaat en protocollair de beelden ook vaak zijn.

Hoe wel tot een verantwoorde samenstelling te komen tonen de beide 'Indische' delen van de serie 'Ons koninkrijk en de Tweede Wereldoorlog' die Rene Kok voor het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie maakte. Het deel Nederlands-Indie in de Tweede Wereldoorlog omvat drie dvd's, waarvan de eerste de ogenschijnlijk zonnige nadagen van het koloniaal bewind toont, met de Polygoonfilm 'Tropisch Nederland', en zelfs bijna een half uur kleurenfilm. Beelden van de Japanse aanval volgen. De tweede dvd brengt een unieke verzameling van Japanse films en journaals bijeen, terwijl de laatste de samenwerking van Indonesische nationalisten, met name Soekarno, met Japan documenteert, en laat zien hoe ver Soekarno hierbij ging. Daarnaast wordt het bestaan van de Nederlandse vrouwen in Japanse interneringskampen getoond. Opmerkelijk is de Japanse propagandafilm waarin het lot van de Europese geinterneerden rooskleurig wordt gepresenteerd en het commentaar daarop van de 'acteurs' na hun bevrijding. Een boekje, dertig bladzijden dik, verschaft een nuttige aanvulling op de beelden.

De twee dvd's Strijd om Indie; Het Nederlands-Indonesische conflict 1945-1949 bevatten, met een toelichtend boekje erbij voor de 'grote lijn', meer dan vijftig fragmenten over de dekolonisatiestrijd. Het merendeel bestaat uit afleveringen van het Polygoon-bioscoopjournaal, met daarnaast langere films die overheid en leger lieten maken. Interessant zijn de films die dienden tot voorlichting van de militairen zelf. Cineasten als Mannus Franken en Charles Breijer leenden hun naam aan films. Veel fragmenten uit 'Linggadjati in de branding' keren hier terug. Rondetafelconferentie en soevereiniteitsoverdracht zijn op deze dvd's te zien. Het is in overgrote meerderheid Nederlands materiaal dat hier wordt getoond, materiaal met een boodschap voor het thuisfront. De documentaire film uit 1983 'Een ideaal voor ogen; De kwestie Indonesie in het bioscoopjournaal' (30 minuten), als bonus toegevoegd, laat dit zien en ook horen in de uitspraken van personeel van de overheidsfilmdienst (Multifilm). Filmmateriaal dat tegenwicht biedt is schaars. Een Amerikaans bioscoopjournaal biedt dat door kritische vragen in New York te stellen aan Van Mook en de Republikeinse vertegenwoordiger daar. En er zijn Republikeinse opnamen uit de eerste maanden na de Proclamatie van 17 augustus 1945--overigens verkeerd gedateerd en gesitueerd--en nog spaarzame latere. Hopelijk duiken meer films uit die bron nog eens op. Maar met wat wel wordt geboden, zes uur beeld en geluid op vijf dvd's, zal iedereen die in de Indonesische jaren veertig belangstelt zeer gelukkig zijn.

Honderd jaar Sjahrir werd behalve met gedrukte publicaties ook herdacht met de dvd Sjahrir, een grondlegger van het onafhankelijke Indonesie. Aan de hand van oude foto's en films wordt een rondgang gemaakt langs belangrijke plekken in Sjahrirs leven. In interviews met tijdgenoten--dochter Upik, en Piet Sanders en mevrouw A. Pierson-Vos, die beiden deel uitmaakten van de Nederlandse delegatie die het Akkoord van Linggadjati afsloot, en deskundigen van heden als Kees Snoek--wordt de levensloop van Sjahrir gevolgd.

Oorlog en overleven buiten Japanse kampen is vooral het verhaal van de werkgroep Buitenkampkinderen (BKK), die sinds 1987 actief is en sinds 1988 onderdeel uitmaakt van de vereniging Kinderen van de Japanse Bezetting en Bersiap (KJBB). De BKK vraagt aandacht voor het lang vergeten lot van de vooral Indo-Europese bevolkingsgroep die in meerderheid buiten de Japanse interneringskampen, onder druk van de Japanse bezetter en de autochtone Indonesische bevolking, moest overleven. Maar vooral wil de BKK zijn doelgroep de gelegenheid bieden om ervaringen te verwerken, tijdens bezetting en revolutie, maar ook na de overkomst naar Nederland. Emancipatie, identiteit, cultuur en de relaties tussen eerste, tweede en derde generatie zijn daarbij kernthema's. Dit komt tot uitdrukking in verhalende verslagen en tien interviews, die vooral handelen over de BKK en verwerkingsproblematiek. Zo wordt persoonlijk verslag gedaan van de massamoord in oktober 1945 op Nederlanders in Depok. Het is al met al een betrokken verslag, vooral voor lotgenoten. Het gebruik van Indonesische woorden is--nodeloos--slordig.

Het verborgen verhaal was de titel van een tentoonstelling die in 1995 onderdeel was van de Pasar Malam Besar en die in de twee jaar daarna door Nederland toerneerde. In verhalen en foto's vertelden 'buitenkampers' over hun ervaringen tijdens de Japanse bezetting en tijdens de internering in Republikeinse kampen daarna--van de 294.000 Nederlanders in Indie bleven er 172.000, vooral Indo-Europeanen, buiten het kamp. Met ruim tien jaar vertraging is de expositie vastgelegd in een boek, aangevuld met een heldere inleiding van twintig bladzijden. Er zijn meer dan honderd reacties opgenomen, soms eenregelig, soms bladzijden lang, van ooggetuigen en hun nazaten die vaak vol emotie verslag doen van hun confrontatie met een verdrongen verleden. Het boek is fraai uitgegeven met foto's van hoge kwaliteit.

De Pasar Malam Besar, sinds kort de Tong Tong Fair, is een fenomeen dat zijn gelijke niet kent. De Fair is een unieke combinatie van commerciele, culturele en culinaire activiteiten, die alle in hoge mate gerelateerd zijn aan het 'Indische'. Het begon in 1959 in de Haagse Dierentuin als een manier om geld bijeen te brengen voor de pas opgerichte Indische Culturele Vereniging. De eerste keer verschenen drieduizend mensen op het driedaagse festival. In 1963 verhuisde de Pasar naar de Houtrusthallen, verlengde zijn duur naar tien dagen. In de jaren tachtig daalden de bezoekersaantallen en belandde de Pasar in zwaar weer. De verplaatsing in 1988 naar het Malieveld bleek de reddende uitweg en nu is de twaalfdaagse Fair jaarlijks in mei een mega evenement, dat in 2008 een record aan 133.000 bezoekers trok. Florine Koning, die sinds 2002 als voorlichter bij de Pasar-organisatie werkt, heeft vijftig jaar Pasar vastgelegd in De Pasar Malam van Tong Tong, een Indische onderneming. Haar onderzoek was uitputtend; uit archivalia, interviews en verspreide publicaties stelde zij wat zij een 'studie' noemt samen. Het levert een vlot verslag op dat in groot formaat is uitgegeven met zeer fraai fotomateriaal--bijna een koffietafelboek. Maar de geschiedschrijving is serieus. De Pasar begon als een familiebedrijf en beroemt zich erop dat nog steeds te zijn. Natuurlijk stond Jan Boon (Tjalie Robinson) aan de wieg van de Pasar, maar zoon Rogier, schoondochter Ellen Derksen en kleindochter Siem Boon hebben dit evenement vervolgens vorm gegeven. Na de ontvlechting met het blad Tong-Tong weerspiegelden programmering en accentuering de wisselende appreciatie van het 'Indische'. De nostalgie maakte plaats voor aandacht voor het moderne Indonesie, voor 'verhollandsing' en voor twijfel over de Indische cultuur--de weerslag van de tweede-generatieproblematiek. Historische tentoonstellingen, themadiscussies en literaire activiteiten kregen steeds meer ruimte, zodat de agenda nu enkele honderden van zulke evenementen telt. Het is een beurs, een festival, een ontmoetingsplaats, of in de definitie van Fridus Steijlen (p. 245): 'Een stukje Indische grond voor de duur van twaalf dagen, waar Indische mensen trots op zijn en velen komen voor de herkenning en de sfeer'. Florine Koning legt de geschiedenis van de Pasar aldus bekwaam vast.

Piet Sanders (1912) is een gerenommeerd jurist en verwoed kunstverzamelaar, maar in Indonesisch verband is hij de invloedrijke secretaris van de door W. Schermerhorn geleide Commissie-Generaal die in 1946 en 1947 de onderhandelingen voerde die tot het Akkoord van Linggadjati leidden. Hij verhaalt daarover in kort bestek in Herinnerigen, gebaseerd op het boek daarover van C. Smit. Hij voegt daaraan helaas weinig eigen details toe. Het interview dat hem in deze zelfde tijd werd afgenomen en afgedrukt in Pro Memorie (jaargang 9, nummer 2, pp. 139-48) biedt iets meer. Sanders vergist zich overigens als hij Hatta laat deelnemen aan de Hoge-Veluweconferentie.

Willem Oltmans (1925-2004) veroorzaakte regelmatig opschudding. Na zijn eerste bemoeienissen in 1956 met het conflict tussen Nederland en Indonesie werd hij een teken van tegenspraak die hem de decennialange vijandschap opleverden van het ministerie van Buitenlandse Zaken, met minister Luns die het vuurtje oprakelde. In 2000 werd dat conflict beslecht met een uitkering van acht miljoen gulden wegens geleden schade. De Utrechtse student Wouter Meijer bewerkte zijn doctoraalscriptie tot 'Ze zijn gek geworden in Den Haag' die Oltmans' rol belicht in de nasleep van het Nederlands-Indonesische dekolonisatieconflict, meestal de kwestie Nieuw-Guinea genoemd. Oltmans zelf heeft in diverse dikke boeken gebaseerd op zijn uiterst gedetailleerde memoires zijn visie op de gang van zaken gegeven. Die visie is narcistisch gekleurd en moet met reserve worden gelezen. Die reserve neemt Meijer in acht als hij Oltmans' activiteiten 'in het schemergebied tussen journalistiek, diplomatie en politiek activisme' beschrijft. Oltmans ontmoette Soekarno in Rome in 1956 en wekte de indruk de Indonesische opstelling over NieuwGuinea te volgen. Hij nam het initiatief tot een adres waarin Nederlanders in Indonesie de Staten-Generaal opriepen te gaan onderhandelen met Indonesie (1957) en hij was langdurig betrokken bij 'geheime' acties van Nederlandse ondernemers, de groep-Rijkens, die de weg wilden effenen naar overleg over Nieuw-Guinea. Toen de spanningen opliepen deed hij zijn best de Amerikaanse regering tot ingrijpen te brengen om de overdracht van Nieuw-Guinea te bewerkstelligen, waarbij hij suggereerde dat Prins Bernhard hierin uiteindelijk een grote rol speelde en, tot slot, onthulde hij de acties van de groep-Rijkens, die daarna de Nederlandse publieke opinie over zich heen kreeg.

Meijer is mild en voorzichtig over Oltmans, ziet Oltmans' rol in de juiste proporties en noteert ook dat zijn eigen persoonlijkheid hem bracht tot voor zijn doel--een verzoening van Nederland en Indonesie--schadelijke acties.

Edwin Oden bestrijkt in De man van 8 miljoen de gehele, turbulente levensloop van Oltmans door het aaneenrijgen van citaten uit 68 interviews en Oltmans' eigen werk. Het levert een caleidoscopisch verslag op, dat aangenaam leest, en allerlei perspectieven opent, maar begrijpelijkerwijs niet leidt tot aan afgerond of afgewogen beeld. Het boek is thematisch ingedeeld met hoofdstukken als 'Ambities', 'Connecties', 'Complotten', 'Liefde', 'Verraad' en 'Obsessie'. De bemoeienissen met Indonesie worden regelmatig genoemd, maar komen gericht slechts kort aan de orde (pp. 57-69). Tot de belangrijke informanten hierover behoren ex-minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot, historicus Ronald Gase en Dewi Soekarno, weduwe van Soekarno. Ook Wouter Meijer behoort tot Odens informanten en met diens boek is Meijers plan een biografie van Oltmans te schrijven niet overbodig geworden.

In Luns, een politieke biografie verschaft de Leidse oud-hoogleraar Albert Kersten, na zeven jaar onderzoek, dat hem in archieven in negen landen bracht, een overzicht van de politieke loopbaan van J.M.A.H. Luns (1911-2002), die 33 jaar lang nationaal en internationaal politiek beleid in hoge mate bestemde, eerst als Nederlands minister van buitenlandse zaken (1952-1971), daarna als secretaris-generaal van de NAVO (1972-1984). Een serieuze biografie over Luns, die geen memoires naliet, was er nog niet; wel een serie anekdotische boekjes, een weerslag van de emoties voor en tegen die Luns opwekte. Het boek van Kersten is daarom zeer welkom, waarbij het jammer is dat hij niet iets meer ruimte besteedt aan de anekdotiek die over zijn kleurrijke persoonlijkheid is overgeleverd. Maar afwezig is die niet. Luns, een jong diplomaat toen hij zijn ministerschap aanving, was een ontdekking van voorman C.P.M. Romme van de Katholieke Volkspartij, met wie hij conservatief-nationalistische denkbeelden deelde, die tot volle wasdom kwamen in de afloop van de Indonesische dekolonisatie. Tegen de gevoerde Nederlandse politiek had hij grote bezwaren. Met Nieuw-Guinea, uitgezonderd van de soevereiniteitsoverdracht, kreeg hij de kans zijn ideeen te verwezenlijken. Dat eiland mocht niet worden overgedragen. Het voortgezette bestuur gaf Nederland internationale status en versterkte het nationale zelfbewustzijn. Nederland moest vastberadenheid tonen ten opzichte van een notoir onbetrouwbaar bewind in Indonesie met een even abjecte figuur als Soekarno aan het roer. Luns geloofde dat hij internationale steun voor de Nederlandse opstelling zou kunnen verwerven, en investeerde veel daarin met grote emotionele inzet. De kwestie-Nieuw-Guinea en de besprekingen over Europese integratie eisten zijn meeste aandacht op. In zijn dikke biografie besteedt Kersten daaraan dan ook meer dan honderdtwintig bladzijden. In detail volgt hij Luns in zijn pogingen internationale steun voor het Nederlands bestuur te verwerven, waarbij al spoedig als doel de opvoeding tot zelfbeschikking van de bewoners wordt benadrukt. Hij boekt enig succes, maar tot duidelijke toezeggingen van bondgenoten komt het niet. De Verenigde Staten, telkenmale onder druk gezet om militaire steun bij een Indonesische aanval te beloven, komen niet verder dan een halfslachtige toezegging, die de naam 'het vod van Dulles' (de Foreign Secretary) kreeg. Pogingen van Indonesie, zowel bilateraal als in VN-verband om tot besprekingen over de overdracht te komen werden door Luns lang succesvol afgehouden. Maar met het opvoeren van de Indonesische druk en de keuze om geopolitieke redenen van de pas aangetreden president Kennedy om Indonesie tegemoet te komen eindigde Luns' speelruimte. In Nederland was de groep-Rijkens actief--en Kersten noemt terloops vier keer Oltmans--schoven de politieke partijen en was er in het kabinet-De Quay tegenwicht tegen Luns, die tot dan toe alleen en met brede steun zijn beleid uitstippelde. De Quay, die hier niet de zwakke premier blijkt te zijn zoals in de beeldvorming, nam het initiatief. En in de laatste fase met onderhandelingen in Amerika, onder supervisie van de diplomaat E. Bunker, was het de diplomaat J.H. van Roijen, die zoals eerder in 1949, met een zeer ruime interpretatie van zijn mandaat, en buiten Luns om, een oplossing vond voor de kwestie-Nieuw-Guinea. Over deze stuiptrekking van Nederland als koloniale macht in Azie is al veel geschreven, maar Kersten voegt daaraan het nodige toe en verheldert de drijfveren van Luns in dit voor hem zo belangrijke dossier. Het is jammer dat het enige Indonesische woord in het boek fout wordt gespeld--sandara moet zijn saudara.

Jacob Vredenbregt, vooral bekend als auteur van veelgeprezen verhalen en romans, heeft onder de duidelijke titel Terugzien en nakaarten zijn autobiografie gepubliceerd. Zijn levensverhaal is zeer de moeite waard--in de veelbewogen geschiedenis van de Indonesisch-Nederlandse relaties was hij aanwezig op onwaarschijnlijke plaatsen en betrokken bij even onwaarschijnlijke gebeurtenissen. Hij ging als marinier naar Indonesie in 1946 waar hij een aanval op zijn patrouille van vier als enige overleefde en zwaargewond in Indonesische gevangenschap belandde. Hij werd anderhalf jaar heen en weer geschoven voordat hij werd 'geruild' en gedemobiliseerd. In 1951 keerde hij terug als adviseur in arbeidszaken van Nederlandse koffie- en rubberondernemingen op Oost-Java, die moeizaam hun bestaan rekten in de nieuwe Republik. Vijf jaar later viel het doek en pakte Vredenbregt een antropologiestudie op in Leiden. Zijn studie ging naadloos over in promotieonderzoek op het eiland Bawean, in de tumultueuze nadagen van het Soekarnobewind dat in economische en politieke chaos in 1965 zijn einde vond. Onder de nieuwe orde van Soeharto werd hij docent, later hoogleraar, in Jakarta en Makassar en vervulde hij een belangrijke rol in de wetenschappelijke contacten tussen Nederland en Indonesie.

In zijn laconieke stijl verhaalt Vredenbregt zijn levensloop. Het meest geinspireerd is hij over de jaren voor 1965, daarna lijkt de tekst wel eens plichtmatig. Interessant zijn ook Vredenbregts notities over het Leidse academische milieu en over het KITLV. Hij heeft geen greintje waardering voor dat Instituut, waarover hij in 1998 de sleutelroman De benoeming publiceerde, en ook in dit boek laat hij daarvan duidelijk blijken.

De benaming 'Indische damesromans' is de geuzennaam waaronder Vilan van de Loo haar inzet voor 'vergeten' vrouwelijke auteurs over Indie in nieuwe vorm giet. Met drie titels wordt een serie geopend die bij gebleken succes tot tien zal groeien. De eerste drie zijn Fernand (1874) van Melati van Java, Bogoriana (1890) van Annie Foore en Een huwelijk in Indie (1873) van Mina Kruseman. Melati van Java (1853-1927) was de meest succesvolle van hen. In Indie geboren, met een Indo-Europese achtergrond, kwam zij in 1871 naar Nederland, waar zij leefde van haar pen. Zij schreef minstens twaalf Indische romans die vele malen werden herdrukt. Zij verenigde een ongehuwd bestaan, samenwonend met een vriendin, met actieve inzet voor de rooms-katholieke zaak. Haar werk, en ook het nu herdrukte boek, toont in de hoofdrol vaak een zelfbewuste vrouw die de traditionele ondergeschikte positie van de vrouw afwijst. Annie Foore (1847-1890) kwam naar Indie als echtgenote van een hoog ambtenaar en schreef met Bogoriana een sleutelroman over de toestanden rond het hof van de gouverneur-generaal, met veel compassie voor het gedwongen lege bestaan van de echtgenotes die aan de ambtelijke adat en intriges waren onderworpen. Mina Kruseman (1839-1922), de bekendste van de drie, te danken aan haar relaties met Multatuli, veroorzaakte een schandaal met haar nu herdrukte boek, waarin ze haar revolutionair-emancipatorische ideeen breed uitmat. Haar levensloop in Indie toonde haar als een compro misloos aanhangster van die denkbeelden.

De delen zijn voorzien van heldere, enthousiasmerende inleidingen door Vilan van de Loo. Haar laatste regel over Melati van Java keert licht gevarieerd in de andere boeken terug: 'U staat op het punt een meeslepende Indische roman te lezen, met bijzondere heldinnen, van de schrijfster die ooit, in Nederland, beroemd en bemind was'. De boeken zijn herspeld en van een woordenlijst voorzien.
COPYRIGHT 2011 Brill Academic Publishers, Inc.
No portion of this article can be reproduced without the express written permission from the copyright holder.
Copyright 2011 Gale, Cengage Learning. All rights reserved.

Article Details
Printer friendly Cite/link Email Feedback
Author:Poeze, Harry A.
Publication:Journal of the Humanities and Social Sciences of Southeast Asia and Oceania
Date:Jan 1, 2011
Words:5071
Previous Article:The terrorist insurgency in the South of Thailand.
Next Article:Recent publications on Indonesian Islam.

Terms of use | Privacy policy | Copyright © 2022 Farlex, Inc. | Feedback | For webmasters |