Printer Friendly

Herman Smit, Landvoogd tussen twee vuren: Jonkheer Mr. A.C.D. de Graeff, gouverneur-generaal van Nederlands-Indie 1926-1931.

Herman Smit, Landvoogd tussen twee vuren: Jonkheer Mr. A.C.D. de Graeff, gouverneur-generaal van Nederlands-Indie 1926-1931. Hilversum: Verloren, 2011, 206 pp. ISBN 978.90.8704.249.3. Prijs 23 [euro].

Serieuze biografische publicaties over de laatste gouverneurs-generaals van Nederlands-Indie zijn schaars--van Van der Wijck tot Van Mook is slechts met Van Limburg Stirums levensbeschrijving door Bob de Graaf en Elsbeth Locher-Scholten recht gedaan aan het belang van het landvoogdelijke ambt, dat door zijn grote bevoegdheden onvermijdelijk een persoonlijke invulling moet krijgen. Een biografie van Van Mook is aankomend. Herman Smit (1934) verschaft met Landvoogd tussen twee vuren een solide grondslag voor een goed overzicht van en afgewogen oordeel over de ambtsperiode van A.C.D. de Graeff (1872-1957), die in de historische waardering tot nu toe meestal als een weifelmoedig en zelfs zwak bestuurder is omschreven.

Smit gebruikt archivalia van het Ministerie van Kolonien en uit particuliere collecties en heeft de belangrijke Nederlandstalige kranten in Indie doorgenomen. Heel belangrijk in zijn verhaal is de briefwisseling tussen De Graeff en A.W.F. Idenburg, die zowel minister van kolonien als landvoogd was geweest. In die correspondentie toonde De Graeff zich openhartig en sprak hij ten opzichte van deze mentor zijn frustraties uit. Idenburg toonde zich als wijze raadgever een steun en toeverlaat voor de GG, eenzaam in zijn hoge positie.

De Graeff, met adellijke achtergrond en een Leidse juridische studie, was toen hij in 1895 in Batavia zijn ambtelijke loopbaan begon voorbestemd om daarin hoog te rijzen. In 1913 was hij hoofd van de Algemeene Secretarie, een jaar later Raad van Indie. In die jaren werd de basis gelegd voor de bijzondere band met Idenburg (GG 1909-1916) en werd de relatie met zijn opvolger, Van Limburg Stirum (GG 1916-1921), een Leidse studievriend, verdiept. De Graeff leek de eerste kandidaat om Van Limburg Stirum op te volgen, maar als reactie op de als te progressief beschouwde Van Limburg Stirum werd de conservatief D. Fock benoemd. De Graeff was diep teleurgesteld en beidde zijn tijd als gezant in Tokyo en Washington. In 1926 werd hij alsnog benoemd--als resultante van het ondoorzichtige benoemingsproces voor dit ambt. In feite kwam zijn benoeming te laat--de 'Ethische' idealen over een harmonieuze samenwerking tussen het Nederlandse bestuur, de gevestigde Nederlandse belangen en het emancipatiestreven van de nieuwe Indonesische elite waren verdampt. De Graeffs idealen waren gedoemd om stuk te lopen. De kloof tussen de Nederlandse en Indonesische gemeenschap was onoverbrugbaar. Elke maatregel van De Graeff kreeg kritiek van een van de partijen. Zijn 'grote lijn' van verzoening en streven naar een akkoord met de gematigde nationalisten --bijvoorbeeld in De Graeffs streven naar een 'inlandsche meerderheid' in de Volksraad--werd afgebrand in de Indische pers, in bewoordingen die zelfs naar hedendaagse maatstaven alle perken te buiten gingen. De uitgestoken hand naar de nationalisten werd anderzijds ook niet geaccepteerd. En zo zette De Graeff de weg in naar een politiestaat, waarbij het bestuur, niet de rechterlijke macht, strafrechtelijke maatregelen nam. De Graeff was de inrichter van Boven-Digoel, waar enkele duizenden politieke verdachten vegeteerden, en hij stelde nieuwe bepalingen op die vrijheden op het gebied van vereniging, vergadering en pers inperkten. Het was wellicht tegen heug en meug, want daarnaast bleef hij pogen de gematigde nationalisten te bereiken, die hij duidelijk onderscheidde van de extremisten. Zo liet hij Soekarno arresteren, maar deze werd niet zonder omslag verbannen, maar kreeg een proces. En na zijn veroordeling verleende De Graeff hem, bijna als laatste beleidsdaad, gratie.

Zo werd De Graeffs termijn een uitzichtloze inspanning het onverzoenlijke bijeen te brengen. Iin dat proces verloor hij de steun van beide kanten en stond hij zeer alleen. Ook in Nederland kalfde zijn goodwill af. H. Colijn ventileerde zijn behoudende opvattingen en minister van kolonien S. de Graaff sloot hierbij aan. Ook op andere gewichtige beleidsterreinen botste De Graeff met Den Haag. De versterking van de Indische defensie en het primaat daarin voor leger of vloot bleef een discussiepunt, en de inzet voor afschaffing van de poenale sanctie mobiliseerde het bedrijfsleven.

Smit vraagt zich ten slotte af of De Graeff inderdaad weifelmoedig en zwak was. Hij meent eerder dat De Graeff zijn achterhaalde idealen--zijn roeping--onmogelijk kon vervullen en dat zijn inzet daarvoor noodzakelijkerwijs moest stuklopen in een zigzagbeleid--en dat was de tragiek van zijn ambtsperiode.
COPYRIGHT 2012 Brill Academic Publishers, Inc.
No portion of this article can be reproduced without the express written permission from the copyright holder.
Copyright 2012 Gale, Cengage Learning. All rights reserved.

Article Details
Printer friendly Cite/link Email Feedback
Title Annotation:Korte signaleringen
Author:Poeze, Harry A.
Publication:Journal of the Humanities and Social Sciences of Southeast Asia and Oceania
Article Type:Book review
Date:Jan 1, 2012
Words:708
Previous Article:Herman van Bergeijk, Berlage en Nederlands-Indie: 'Een innerlijke drang naar het schoone land'.
Next Article:Gerard Aalders, Bernhard zakenprins: Zijn connecties met wapenhandelaren, louche zakenlieden en dubieuze bankiers.
Topics:

Terms of use | Privacy policy | Copyright © 2020 Farlex, Inc. | Feedback | For webmasters